“Weest uw voorgangers gehoorzaam en weest hen onderdanig; want zij waken voor uw zielen als die rekenschap zullen geven; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dat is u niet nuttig.”
(Hebreeën 13: 17)

De apostel sluit zijn brief aan de Joodse christenen af met een aantal losse vermaningen. Het valt op dat hij tot tweemaal toe de voorgangers noemt. Daarmee bedoelt hij de leiders van de kerk en de gemeenten. In vers 7 doelt hij vooral op de leraars die zij gehad hebben. Zij hebben hen het Woord van God gesproken, dat staat in de verleden tijd. Zij zijn nu naar elders gegaan of niet meer in staat tot leidinggeven of misschien zelfs overleden. De apostel is er blijkbaar van overtuigd dat zij in de rechte zin gesproken en gehandeld hebben. Dus mogen zij niet vergeten worden. De beste manier om aan hen te denken is de navolging van hun geloof. Zij mogen vanzelf niet vereerd of verheerlijkt worden alsof zij halve christussen waren. Pas op voor mensverheerlijking. Dweep nooit met een bepaalde dominee of andere ambtsdragers. Til nooit enig dienaar noch van het heden noch van het verleden over het paard. Het kan niet lijden, want zij waren ook maar zondige mensen. Let liever op de uitkomst van hun handel en wandel als dienstknechten van Christus en zoek daar navolger van te worden. Sta ernaar te leven zoals zij geleefd hebben zoverre zij het goede hebben gedaan. Wij moeten-naar een woord van Calvijn-de deugden van de heiligen navolgen, niet hun ondeugden.

In vers 17 komt de apostel op de voorgangers terug. Dan gaat het kennelijk over de voorgangers, die nog in de actieve dienst ter plaatse bezig zijn. Je moet ze gehoorzaam zijn door hun woord aan te nemen. Ook hier gaat de apostel ervan uit – hij weet dan blijkbaar – dat het mannen zijn, die getrouw zijn in hun ambt. Want het is duidelijk dat dit niet het geval kan zijn als het om kwade leringen gaat zoals bijv. de Farizeeën brachten. Dan moet men zich juist voor hun zuurdesem wachten!

Nee, het gaat om mensen, die waken over je zielen. Die je waarschuwen voor je eeuwig verderf. Die je de weg der zaligheid verkondigen, die in Christus Jezus is. Die je roepen tot geloof en bekering. Die het Woord van God niet vervalsen maar het in oprechtheid zoeken te ontvouwen. Die het ook met hun levenswandel bevestigen. De apostel mocht zelf zo iemand zijn. Niet dat hij daar zo prat op gaat of een hoge dunk van zichzelf heeft. Maar hij zegt toch wel in vers 18 dat hij vertrouwt dat hij een goed geweten mag hebben en in alles eerlijk zoekt te wandelen. Dat is namelijk voor iedere dienaar van levensbelang. Wat zegt je geweten ervan? Waar is het je om te doen? Gaat het je echt om de eer en de zaak van de Heere? Gaat het je werkelijk om het heil van de zielen? Doe je alles in het besef dat je voor de mensen verantwoordelijkheid draagt? Jij zult voor hun zielen rekenschap geven. Als ze door jouw nalatigheid of verkeerde prediking verloren gaan, dan zal de Heere hun bloed van jouw hand eisen. Paulus zei tegen de ouderlingen van Efeze dat hij vrij was van het bloed van hen allen. Op voorgangers drukt een zware last. Daarom is een goed geweten heel erg nodig. Als je dat hebben mag is dat een kostbaar bezit dat ook niemand van je af kan pakken. Ook dan niet als mensen je proberen weg te zetten als was je slechts een namaakdominee. Gode zij dank voor dat goede geweten.

De apostel zegt dus dat de Joodse christenen aan wie hij schrijft hun voorgangers gehoorzaam moeten zijn en onderdanig. Zij mogen geen laster over hen uitgieten, hen niet kleineren en evenmin zich aan hun woord onttrekken. Zij moeten eerder voor hen bidden (vers 18). Zij moeten bedenken wat een hoge verantwoordelijkheid zij dragen. Zij moeten dubbele eer waardig geacht worden als zij op een goede wijze regeren en voorgaan. Allereerst vanwege het ambt waartoe de Heere hen geroepen heeft. Ten tweede vanwege het feit dat zij het getrouw en ijverig verrichten. Uiteraard geldt dit niet alleen voor de dienaren des Woords, maar ook voor de andere ambtsdragers. Er staat namelijk bij: voornamelijk die, die arbeiden in het Woord en de leer (1 Tim. 5:17).

Hoe staat het ermee in onze tijd? Heeft het Woord nog gezag? Heeft het ambt nog gezag? Is er nog eer en dubbele eer? Of kan er zomaar tweedracht worden gezaaid en bagger uitgegooid worden in kerken en gemeenten? Het gebeurt op meerdere plaatsen. Pas stond er een paginagroot artikel in het RD over hoeveel leed onheuse kritiek in pastorieën veroorzaakt. Het is een landelijk probleem, dat te maken heeft met de toename van mondigheid en brutaliteit onder de mensen. De vermaning van de apostel komt dus wel op tijd. Zij heeft aan actualiteit niets ingeboet. Het is een zaak, die niet alleen veel schade berokkent aan ambtsdragers, vooral dominees. Het is zeer tot schade van de kerk en tot smaad van de Heere!

De oproep van de apostel komt dan ook tot alle gemeenteleden. Wees hen onderdanig die waken over uw zielen. Bent u dat namelijk niet dan doet u hen zuchten. Zij zullen- als de Heere hen ondersteunt-onverminderd over u blijven waken. Zij verlaten de kudde niet. Dat kan ook niet. Wel kunnen zij soms zuchten. En het zou zoveel beter zijn als zij hun arbeid met veel vreugde zouden mogen doen. Dat is zoveel nuttiger. Voor u. Of ziet u liever een dominee, die gebukt gaat onder de zware last van het ambt omdat mensen die onnodig verzwaren? Daarom: zijt uw voorgangers gehoorzaam en zijt hen onderdanig. En…bidt voor ze!

Ds. J.L. Schreuders

“Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE,  ondersteunde mij. Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.’’
(Psalm 94: 18 en 19)

N.N. zo heet de dichter van deze psalm. Nomen Nescio, een naam weet ik niet. Het zou zomaar David kunnen zijn, maar niets is er zeker. Alleen God weet het.

Hij heeft een probleem, dat is wel duidelijk. Hij ziet dat de goddeloze mensen denken dat zij altijd maar hun gang kunnen gaan. Zij verbrijzelen Gods volk en menen dat niemand hen een voet dwars zal kunnen zetten. Ook God niet. De Heere hoort en ziet toch niet wat zij allemaal uitvoeren. Het is ronduit ergerlijk te moeten aanzien dat zij volgens dit principe te werk gaan.

Maar zou dat waar zijn, dat de zaak er zo bijligt?  Nee, de dichter is tot het inzicht gekomen dat God wel terdege alle dingen in ogenschouw neemt. Hij die oor en oog maakte, het kan toch niet zo zijn dat Hij Zelf blind en doof is? Nee, hij roept de Heere op om vergelding te doen. Dat de Heere toch niet door daarmee al te lang te wachten voedsel zou geven aan het ijdele denken dat Hij niets doet. Dat de Heere de boze mensen toch snel uit de droom zou helpen.

Ondertussen hebben Gods kinderen rustig de tijd af te wachten dat God gaat optreden. Wachten is vaak niet hun sterkste kant. Het moet bij ons het liefst gisteren al klaar zijn. Toch is hij welgelukzalig, die het nut van de onderdrukking weet en voordeel trekt zelfs uit het leed. Wie zich geduldig gedraagt en de roede kust (zegt de berijming prachtig) is goed af. God gaat namelijk zeker optreden. Je zult het zien. De hoogmoedige dwazen komen in de kuil door Hem gegraven terecht!

En dan wordt de dichter van vers 16 tot vers 19 persoonlijk. Hij komt zelf voor de dag. Het is niet zo dat hij het allemaal voor anderen heel mooi weet te zeggen hoe het zit. Van die mensen heb je wel eens. Zij kunnen praten als Brugman. Zus en zo gaat de Heere met Zijn kinderen om en dit en dat moet er worden gedaan. Maar het is allemaal theorie en geen praktijk. Zij weten hoe het moet en ze weten hoe het gaat. Alleen zelf hebben ze er geen enkele kennis aan. Zodra je ze vraagt wat er in hun eigen leven van aan te treffen valt, dan staat de wagen hortend en stotend stil. Er komen hooguit wat gemeenplaatsen los: het zal niet zomaar gaan en er zal nog heel wat gekend moeten worden. Dan is wel een ding duidelijk: dat zij er zelf helemaal niets van kennen. Bent u zo’n prater bij wie het in feite armoedetroef is? Ik zeg dat je er geen stap dichter door bij de hemel zult komen. Mijn ervaring is, dat het met zulke types- wat je ook naar voren brengt- trekken aan een dood paard is. Wees ervoor gewaarschuwd dat je niet zelf zo eentje wordt of blijft.

Gelukkig is in Psalm 94 niet een dergelijk type aan het woord. Hij weet tenminste waarover hij het heeft. Hij zelf is zo’n gelukzalig man, die op de Heere weet te wachten. Hij stelt zich namelijk de vraag wie het voor hem (“voor mij” 2 keer in vers 16!) tegen de boosdoeners op zal nemen. Hij weet het antwoord vanuit eigen ervaring. Dat is altijd beter dan tien keer hebben horen zeggen! De HEERE, dat is het antwoord. Zo was het, zo is het en zo zal het zijn. Heel indrukwekkend is het wat hij zegt: Als Hij niet mijn Hulp was geweest, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. Het was haast over en uit met hem. Zo ik niet had geloofd…(puntje puntje puntje), dan weet je het wel, zo zegt Psalm 27.  En Psalm 124 zegt: zij zouden ons levend verslonden hebben en een stroom zou over onze ziel zijn gegaan. Onze hulp is in de Naam des HEEREN , Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Hij vult het nader in. Toen hij bij zichzelf dacht: Nu wankel ik en ik houd het niet vol, toen was Uw goedertierenheid er om mij te ondersteunen. Het was allemaal genade! Allemaal vrije gunst en trouw, die eeuwig Hem bewoog. Alles liefde, goedheid en ontferming. Dat alles zit namelijk opgesloten in dat meest volle woord: goedertierenheid (in de Statenvertaling een enkele keer ook wel met weldadigheid vertaald). Daar moet een arme zondaar het van hebben. Genade slaat de klok. Iedere keer weer als de HEERE een wankelende ziel overeind houdt. Het zal niet gebeuren dat de rechtvaardige ten val komt. Hoe weet je dat? Van mij, zegt de N.N. die in deze psalm aan het woord is. Ik heb het zelf ervaren. Een goed en leerzaam getuigenis.

Verkwikkende vertroostingen. Ja, ook die waren er. En wilt u weten wanneer die er waren? Juist op die momenten, dat mijn gedachten in mij zich vermenigvuldigden, zo zegt onze psalmdichter. Toen begon alles zich op te stapelen in de ziel. Het werden kluwen van gedachten, bergen waar hij niet over heen kon kijken. De gedachten van zijn hart verschrikten hem ook. Dat kun je op maken uit het woord: vertroostingen. Er was vrees, droefheid en angst. Al Gods kinderen worden daarmee van tijd tot tijd wel gekweld. Zij lopen erin vast. Het wordt donker in de ziel. En de overleggingen klommen maar, werden hoger en hoger. Toen, toen kwamen er boodschappen van vertroosting in zijn ziel. De Geest van God kwam met het evangeliewoord. Hij liet de vertroostingen (het waren er meer dan een) achter in de ziel. Het was als koud water voor een vermoeide ziel. Het was al kalmerende zalf op een heftig jeukende plek. Het was als balsem voor het hart. Verkwikkende vertroostingen komen bij de HEERE vandaan. Dat is van de drieenige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Zijn woorden en beloften, toegepast door de Heilige Geest kunnen er wat van. Zij zijn geen doekjes voor het bloeden. De dichter mag het zelf tegen de Heere vertellen. Hij spreekt in vers 18 en 19 de HEERE aan. Vertel het Hem ook maar als je er weet van gekregen hebt. Zeg het Hem maar hoezeer dat je erdoor bemoedigd werd en vertroost en verkwikt. De Heere wil het horen en ieder ander mag het horen. Wat God doet aan een ziel, die het niet meer weet, bij wie de gedachten boven het hoofd zijn uitgestegen.

Onze God is allerminst blind en doof. Daarom zal Hij Zijn volk niet begeven en Hij zal Zijn erve niet verlaten (vers 14). Als deze God de onze maar is, door Jezus Christus, de Heere.

Ds. J.L. Schreuders

“Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.”
(Psalm 51:13)

Iedereen weet wel dat David deze psalm uitsprak en schreef na de bedreven bloedschulden met Bathseba en Uria. Het is een groot smeekgebed geworden om genade. Maandenlang had hij met zijn schuld rond gelopen. Schuld, die zeker wel knaagde aan zijn geweten (zijn sap werd veranderd in zomerdroogte) maar toch niet werkelijk schuld werd voor God. Hij verborg het. Totdat Nathan, de profeet, doel trof met zijn: Gij zijt die man. Toen werd het beleden schuld ten overstaan van de HEERE.

Een van de smeekgebeden die hij dan laat horen, heeft betrekking op de Heilige Geest. Nee, het was nog geen Pinksteren geweest- dat zou nog duizend jaar duren! – maar de Geest was er al van eeuwigheid af. En in Davids leven was de Geest al heel vroeg werkzaam. Hij vertrouwde al op God toen hij nog was aan de borsten van zijn moeder. Dat vertrouwen en steunen op de HEERE moet door de Heilige Geest zijn gewerkt. Van nature doet niemand dat. Ook Johannes de Doper was vervuld met de Heilige Geest van de buik van zijn moeder af. Hoe heerlijk is dat! Zo jong begenadigd.

Maar Gods kind viel in een ernstige zonde. Zeker, zonden zijn er iedere dag. Zij zijn dan ook dagelijks reden om ons voor God te verootmoedigen. Dat heeft David ook gedaan: Gedenk niet de zonden mijner jonkheid, noch aan mijn overtredingen. Zo heeft hij zich jaren lang in de godsvrucht mogen oefenen.

Inmiddels is hij koning geworden in Sauls plaats. Dan wil het nog wel eens gebeuren dat de zorgeloosheid toeslaat. Als het waken en bidden tegen de verleiding van de zonden verslapt dan kan men in grote zonden vallen. Dat is met David gebeurd. Het kan door eigen schuld met ieder die God vreest, gebeuren. Wat een duisternis komt er dan over je ziel. Je bedroeft de Heilige Geest bitter. Het gevoel van de genade is weg. Totdat Nathan kwam………

Toen bleek dat de Heilige Geest niet geheel van David gescheiden was. Hij wekte in hem het berouw op. Er werden genadesmekingen uit zijn mond gehoord. Een van die smekingen betrof dus de Heilige Geest. Nee, de Geest was duidelijk niet van David geweken. Dat weten en zeggen wij. En het is ook zo. Maar voor David zelf heeft dat zeker niet zo gevoeld. De Geest van God leek wel van hem gescheiden. En als dat nog niet zo was, dan zou het in elk geval recht zijn als het ten spoedigste gebeurde. Dat horen we dan ook David zeggen : Verwerp mij niet van Uw aangezicht. U zou het terecht kunnen doen. En neem Uw Heilige Geest niet van mij.  Het zou niet te verwonderen zijn als Deze definitief en finaal Zich van mij zou af keren. Het is Gods gelovigen zo vaak een wonder dat de Heilige Geest al niet tig keren van hen is geweken. Je hebt Hem immers zo getergd. Hij kan dan toch niet in je blijven wonen. In zo’n vuile en ontwijde tempel als jouw ziel en lichaam zijn, kan toch de Heilige Geest het niet uithouden. Daar willen de zwijnen nog niet wezen, laat staan de goede Geest van God.

En toch kun je de Heilige Geest niet missen. Daarom klinkt het gebed: Neem Uw Heilige Geest niet van mij. Doe het toch niet geheel en al en niet definitief. Laat Uw Geest weer Zijn kracht aan mij laten zien. Dat gebed is het zuiverste bewijs dat de Heilige Geest niet geheel geweken is, maar zich slechts voor een tijd heeft schuil gehouden. Gelukkig maar. Anders zou je zonde een zonde tot de dood zijn met de eeuwige rampzaligheid tot gevolg. Dat laat de HEERE niet geschieden. Hij bracht David door Zijn Woord en Geest weer tot bekering. David vroeg met een waarachtig hart om vergeving en hij kreeg die ook. De Heere heeft uw misdaad weg genomen, zei Nathan. Hij kreeg terug de vreugde des heils.

Beste lezers, hoe nodig is ons de Heilige Geest. Hij is nodig als je Hem nog niet kent en Hij in jou nog niet werkzaam is. Maar Hij is ook nodig als Hij reeds in je woont. Nodig om voor dagelijkse zonde bewaard te blijven, maar zeker ook voor grote en ergerlijke zonden. Hoeveel te meer  smeken  wij om Hem als wij in zeer zware zonden zijn gevallen en wij bemerken dat wij daarmee de Heilige Geest smaadheid hebben aangedaan. Dan wordt het: Laat Hem toch niet weggaan bij mij, Heere, want ik ben Zijn inwoning niet waardig gebleken. Wat een troost dat de Heilige Geest dan blijft en dus niet scheidt. Natuurlijk mogen we daar geen misbruik van maken. Zo van: als Hij toch altijd blijft, dan is een zonde ook niet meer zo rampzalig en dan kan dat zondigen wel een keer. Wie zo redeneert, bewijst daarmee geen kind van God te zijn. Nee, het is een wonder dat Hij niet geheel en al scheidt. En wonderen kun je niet bekijken. Daar zijn het wonderen voor. Het moet ons maar de bede ontlokken vanuit ons hart: Ai, laat van mij Uw Heil’gen Geest niet scheiden. Wat een troost dat Hij dan metterdaad niet scheidt maar eeuwig blijft.

Ds. J.L. Schreuders

“Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was en zag het en geloofde”
(Johannes 20:8)

Er is niet maar een ongelovige Thomas geweest. Petrus en de andere discipel waren er ook een paar. Dat blijkt uit dit gedeelte. En wat dunkt u: zouden er niet tot op de dag van vandaag veel navolgers zijn?

Zij waren uit hun huis gelokt door Maria Magdalena. Die was met de mededeling gekomen, dat men Jezus uit het graf genomen had zonder dat wij (dus ook de andere vrouwen, die met haar mee geweest waren) Zijn nieuwe begraafplaats wisten. Die mededeling was genoeg voor de twee discipelen om een kijkje te gaan nemen. Naast Petrus was dat de discipel, die nog meer dan de anderen door Jezus bemind werd. Dat is vrijwel zeker Johannes, die uit bescheidenheid nergens zijn eigen naam noemt. Daar kan iedereen die graag vooraan staat iets van leren.

Eerst ging hun snelle lopen gelijk op. Maar naarmate zij dichter bij de plaats van het graf komen, wordt de tred van Petrus langzamer. Hoe zou het komen? Hoe is die zwaarte in Petrus’ benen en schoenen ontstaan? Daar kunt u ongetwijfeld zelf het antwoord wel op bedenken. Wij gaan u niet alles voorkauwen.

Johannes was er dus het eerst. Hij ziet slechts door de opening van het graf de doeken en laat het daarbij. Petrus die hem volgt gaat wel het graf in en ziet meer: naast de doeken ziet hij ook de zweetdoek die om Jezus’ hoofd gebonden was, liggen. Keurig opgerold op een ander plaats. Als Johannes dan ook het graf ingaat en hetzelfde ziet als Petrus dan gelooft hij. Jezus is niet weggehaald zoals Maria van Magdala dacht, maar opgestaan. Geen grafschender zou de doeken achterlaten in het graf en zeker niet netjes opgerold. Hij geloofde.

Dat is mooi, zult u zeggen. Natuurlijk is het mooi dat de woordenloze preek van de doeken geloof mocht werken in Johannes’ hart. Menig prediker en menig hoorder heeft wel eens wat meer woorden te spreken en te horen eer het zover is. Dat is zeker waar!

Toch is het niet helemaal zo mooi als dat het op het eerste gezicht lijkt. Johannes heeft dit namelijk niet opgeschreven om zijn eigen geloof te prijzen. Integendeel. Hij schrijft dit om te laten zien dat hij eigenlijk ook een ongelovige Thomas is geweest. Daar heb je weer die Geestesgaven van ootmoed en bescheidenheid. Ook nu zeg ik dat iedereen daarvan kan leren, die graag, veel en hoog over zijn eigen geloof opgeeft.

Johannes doet dat dus allerminst. Hij gelooft namelijk pas nadat hij de doeken heeft gezien. Een Thomas avant la lettre (d.w.z. hij was dat voordat Thomas dat was). Hij schrijft er namelijk een pijnlijke opmerking bij. Hij en Petrus wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan. Zij hebben dus niet geloofd omdat de Schrift het zei en ook niet omdat Jezus het van tevoren had gezegd. Ook zij geloofden niet op grond van het Woord maar pas na te hebben gezien. Pas toen hij de doeken zag, geloofde hij. Dan ben je helemaal aan Thomas gelijk. Die wilde ook eerst zijn hand steken in Jezus’ zijde en de teken der nagelen zien. Anders zou hij zeker niet geloven.

Beschamend. Maar hoeveel kerkmensen zijn er ook nu niet die het niet op het Woord alleen durven te wagen? Zij willen eerst nader bewijs hebben. De ongelovige wereld wil dat sowieso. Zij wil niet geloven en zal dat ook niet doen al zouden de sterren van de hemel vallen. De ongelovige kerkmens evenmin. Hij gaat voor de vorm naar de kerk en gelooft er verder het zijne van. Maar helaas ook de oprechte zoeker die door Gods genade Hem zo graag zou willen vinden, doet nog zoals Johannes en Petrus deden. Hij heeft ook vaak dat Thomasachtige, apres la lettre (d.w.z. hij was dat nadat Thomas dat het geweest was). Je wilt meer dan het Woord alleen. Je wilt iets voelen of hebben. Je moet doeken hebben zien liggen. De Heere wil echter op Zijn Woord geloofd worden. Zo gaat het voortaan heeft Jezus tegen Thomas gezegd. Zoals het bij Petrus, Johannes en Thomas ging, zo gaat het nu niet meer. Zalig is voortaan de mens, die niet gezien en nochtans geloofd zal hebben. Je moet niet iets willen zien buiten het Woord om. Staar je liever blind op het evangelie van de gekruisigde en opgestane Heiland totdat de Heilige Geest je ziende zal maken als nooit tevoren.

Ziende zonder gezien te hebben. Dat is geloven in Jezus, die gij niet gezien hebt en nochtans liefhebt (1 Petrus 1: 8). Laat het zo bij u toegaan, beter dan bij mij, dat is het wat Johannes ons in dit gedeelte wil laten voelen. Hij heeft immers zijn Evangelie geschreven opdat gij gelooft dat Jezus de Christus is en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam. En geloven dat is blindelings, zonder te zien, jezelf overgeven aan Hem met vertrouwen van het hart. Een voluit Geestelijke zaak! Als het goed is dan is de beoefening daarvan ons niet vreemd.

Ds. J.L. Schreuders

“Hierna, Jezus wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.”
(Johannes 19:28)

Wij weten uit de evangeliën, dat Jezus bij het begin van de kruisiging geweigerd heeft te drinken van de edik, die met gal gemengd was. Er zat een bedwelmende stof in, die bedoeld was om het lijden van de gekruisigde enigszins te verzachten. Wrede barmhartigheid van de goddelozen, zo zou ik het noemen. De reden waarom Jezus het weigerde mag ik als bij u bekend veronderstellen. Jezus moest Gods toorn dragen over de zonden. En die mocht niet met enige verzachting worden doorstaan. De toorn van God moest onvermengd worden ingeschonken in de lijdensbeker. Zo had Jezus hem leren aanvaarden in Zijn worsteling in Gethsemane.

Maar nu is toch alles reeds volbracht. Zo dadelijk zal het kruiswoord dat ook bevestigen: Het is volbracht. Dat betekent dat de toorn van God ten volle is gedragen en aan de gerechtigheid van God ten volle is voldaan.

Daarom kan Jezus nu de klacht laten horen: Mij dorst. En daarom kan Hij het zo meteen ook toestaan dat de edik aan Zijn mond wordt gebracht en hoeft Hij die niet meer te weigeren. Alle gerechtigheid is nu immers vervuld. Er is een eeuwige gerechtigheid aangebracht, die een zondaar kan worden toegerekend en waarmee hij voor God kan bestaan. Christus heeft voleindigd het werk dat de Vader Hem gegeven heeft om te doen. Een bedwelmende dronk kan daar nu niets meer aan afdoen. Daarom nu wel: Mij dorst.

Bovendien moet er ook nog iets uit de Schrift vervuld, volbracht worden. Dat zou niet kunnen indien Jezus ook nu nog de edik zou weigeren. Dan zou de Schrift onvervuld blijven en dat kan niet. Ook dit, wat van Hem geschreven staat, heeft een einde, een doel. De Schrift spreekt namelijk over gal en edik. Te denken is hier natuurlijk aan Psalm 69. Daar staat: Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven. Wat ons opvalt is het ontbreken van hoofdletters. Dat komt natuurlijk omdat het allereerst op David slaat. Die maakte iets dergelijks mee.

Maar nu bereikt het in de Davidszoon het hoogtepunt. Nu wordt het volle werkelijkheid en wordt het Schriftwoord vervuld. Van Hem moet het met hoofdletters geschreven worden.

Nu Jezus klaagt vanwege dorst, is er voor Hem nog steeds niets anders dan die verfoeilijke zure wijn, die met bittere gal gemengd was. Nog steeds die bedwelmende drank, die zij Hem ook al bij het begin van de kruisiging wilden geven. Maar Jezus vraagt niet om bedwelming, Hij vraagt om Zijn dorst te mogen lessen met water. Maar het wordt hem niet gegund. Zoals in het vers van Ps 69, dat er vlak voor staat, wordt gezegd: ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen en naar vertroosters, maar ik heb ze niet gevonden. Hij moet het zelfs nu met edik doen.

Mij dorst. Het is maar een woordje in het Grieks van vier letters: dipso. De soldaten hebben het gehoord. En Johannes, die bij het kruis van Jezus stond ook. Het kan met die dorstende mond nauwelijks ver hebben geklonken, maar het werd vernomen. Het is door hem tot onze troost opgeschreven. Een dorstende Jezus. Beide Zijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land, dat dor en mat van droogte brandt. Hij is zo verbroken door dorst, dat Hij meteen daarna de geest geeft en sterft.

Beste lezer, zo is Jezus al dorstende een fontein van water geworden, die springt tot in het eeuwige leven. Onze ziel dorst van onszelf naar weinig meer dan de dingen van deze wereld. Naar geld en goed, voorspoed en geluk en nog zoveel dingen meer, zoals eer en macht. Het is dorst, die nooit verzadigd wordt. Wij nemen zout water tot ons waardoor we juist alleen maar meer dorst krijgen. Wij lijken dan op de vrouw uit Samaria, met wie Jezus sprak bij de put. Zij begreep er niets van wat Jezus met dorst en levend water bedoelde. Zij had er werkelijk geen flauwe notie van en daardoor antwoordde zij voortdurend langs Jezus heen. Toen Jezus haar de zonde van haar leven aanwees, toen werd het anders. Zij voelde haar dorst en begeerde het water van de genade.

Hebt u weleens dorst gehad en voelt u steeds weer die dorst? Die dorst, die de wereld niet kent, maar die God laat voelen door Zijn heilige wet, door Zijn Woord en door Zijn Geest? Die dorst laat zich niet gemakkelijk lessen door het een of ander. Die dorst wordt pas verzadigd door Hem, Die aan het kruishout hing te dorsten.

“Hoor ik, hoe Hij riep: Mij dorst,
Dan roep ik: O, Levensvorst.
Gij, Gij naamt den bitt’ren dronk
Die deez’ aard verzoening schonk.”

Dat wordt ons deel als wij in geloof door Gods Geest drinken van Zijn vergoten bloed. Jezus heeft Zelf gezegd, dat Zijn bloed waarlijk drank is. Zijn ontberen wordt ons ontvangen.  Het werd Hem geweigerd om het ons te kunnen geven. En al dorstende naar Hem wordt die dorst voor ons in overvloed veranderd. Want wie naar Hem dorst kreeg, zal nog wel vaak opnieuw dorst hebben, maar geen dorst meer hoeven te lijden. Hij is immers het levende Water. Wie daarvan drinkt zal nimmermeer dorst lijden. En wist u dat niet alleen het heilswater maar zelfs het gewone water dat uit de kraan vloeit ten diepste door Hem is verdiend?

Ds. J.L. Schreuders

“En de verzoeker tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze stenen broden worden.”
Matth. 4:2

Na de doop door Johannes in de Jordaan moet Jezus eerst het strijdperk in. Dat is Hem niet overkomen, nee zo is dat door de Vader bepaald. Wij zien dan ook dat het de Heilige Geest is Die Hem wegleidt de woestijn in om daar de verzoekingen van de duivel te ondergaan. Het moet meteen gaan blijken of deze Mens wel stand houdt. Bij Lukas staat de geschiedenis van de verzoeking van Jezus dan ook meteen na het geslachtsregister van Christus, dat eindigt met de woorden, de zoon van Adam, de zoon van God. Hij moet zich met de eerste Adam gaan meten in gehoorzaamheid.

Dus komt hier de verzoeker. Mattheus duidt hem met drie namen aan: in vers 1 duivel (= degene die alles in het honderd gooit), in vers 5 de satan (= de tegenstander), hier in vers 2 met de eveneens weinig vleiende naam: de verzoeker. Jezus heeft eerst veertig dagen en veertig nachten gevast. Vasten gaat gewoonlijk met bidden gepaard. Het duidt op vernedering en verootmoediging. Hij draagt hier al de schuld der mensen. Daarom moest Hij met de zondaren ondergaan in het water van de Jordaan. Daarom moet Hij nu ook als ware Hij Zelf een zondaar de schuld der mensen belijden. Zo gaat Hij biddend de vuurproef tegemoet. Het maakt ook ons meteen duidelijk hoe wij ons hebben voor te bereiden op verzoekingen. Dat vraagt ernstig gebed. Waken en bidden opdat wij in de verzoeking niet vallen. Christus heeft Zich er ook in volle ernst op voorbereid: dag en nacht in het gebed. Hij zegt later – in de geschiedenis van de maanzieke knaap- dat het duivelsvolk niet uit een mens uitgaat dan door vasten en bidden. Datzelfde is nu ook nodig wil hij niet bij ons binnen komen. Jezus gaat met vasten en bidden de duivel tegemoet om hem te weren.

En daar komt hij. Lukas schrijft dat Jezus eerst de volle veertig dagen verzocht is. Dat zal dan zeker zo zijn geweest. Maar op het einde van de veertig dagen is de boze op het hevigst aan de gang geweest. Dat vindt plaats als Jezus door het vele vasten honger heeft gekregen. Als iemand honger heeft dan is hij op zijn zwakst. Wij kunnen daar helemaal niet over mee praten omdat wij geen van allen weten wat honger is. Men zegt wel dat als iemand sterke honger heeft hij om een korst brood wel een moord zou kunnen begaan. De duivel kiest dus een heel slim moment uit. U hoeft toch niet te hongeren? Waarom zou U moeten lijden? U bent toch Gods Zoon? Nu dan, het is voor U slechts een kleinigheid om tegen de stenen, die hier in de woestijn liggen, te zeggen dat zij broden moeten worden. Je kunt deze list vergelijken met die aan het kruis. Satan laat dan de voorbijgangers zeggen: Indien Gij Gods Zoon zijt, kom af van het kruis. Hij liet zelfs Petrus tot Jezus zeggen: dat lijden en sterven zal geenszins geschieden. Ook daar zat de duivel achter: Ga weg, achter Mij, Satanas. Hier begint het al: U kunt voor alle lijden uzelf ontzien, zelfs voor honger lijden. Hoe graag had hij gezien dat Jezus die weg zou hebben gekozen. Het hele voornemen van God in Zijn Zoon zou ermee teniet zijn gegaan. De tweede Adam zou geen haar beter zijn gebleken dan de eerste. Alles verloren! Het zou de zondeval van Gods Zoon hebben betekend en de definitieve overwinning van de mensenmoorder.

Maar nee, waar het eerste mensenpaar viel, houdt deze Mens stand. Eva had niet eens honger. Zij mocht immers van alle bomen uit de hof vrijuit eten. Adam evenmin, maar hij nam de verboden vrucht uit Eva’s hand. Dat was dus maar een zeer lichte verzoeking vergeleken bij die van Christus. Toch gaven zij met open ogen toe. In hun kielzog buigen ook wij als knipmessen voor tal van verleidingen die de duivel ons voorhoudt. Ook als we de Heere uit genade mogen kennen, laten wij ons nog menig keer door hem verrassen.  Waar was bij ons het vasten en bidden? En hebben we ook  niet vergeten het zwaard van het Woord mee te nemen? Dan gaat het dus fout en liggen we in de strijd onder. Om een habbekrats geven we aan het genot van de zonde toe. Ja, wij zijn er echt een paar van onze voorouders. Wij moeten het met schaamte erkennen. Het is mijn eigen schuld dat ik mij zo vaak door de zonde laat meeslepen. Om haast niets geef ik mij al gewonnen. Hoe moet dat ooit iets met mij worden?

Hier is de tweede Adam! Hij blijkt de ware Mens te zijn.  Hij liet Zich niet door schone voorwendsels verrassen. Hij hield al hongerend vast aan het Woord dat uit Gods mond uitgaat. Er staat geschreven. God heeft gezegd. Zijn spijze was het de wil van God te doen. Dan kan de mens ook zonder brood wel leven. Waar moet het met ons naartoe?  Naar Hem moet het toe. In Hem en door Hem kan de verzoeker weerstaan worden. Zonder deze tweede Adam doet de duivel met ons wat hij wil. Wij zijn van nature zijn slippendragers. En ook als wij door genade aan zijn heerschappij onttrokken zijn, zijn we veel te zwak omdat wij niet biddend, dag en nacht, met Christus optrekken. Alleen als wij aan Hem vasthouden en aan Zijn Woord, dan is het mogelijk de duivel te weerstaan zodat hij bij ons vandaan vlucht. Alleen voor Hem is hij bang en waar Hij is zal hij bot vangen. Kijk maar naar de verzoeking in de woestijn.

Ds. J.L. Schreuders

“Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering”
Lukas 5:32


Wij gedenken deze dagen Jezus’ komst naar deze aarde. De Zoon van God nam ons vlees en bloed aan om daarin te dragen de straf op de zonde. Maar voor wie is Hij nu eigenlijk gekomen? Dat is een belangrijke vraag. Om die te beantwoorden is het zaak heel goed naar Jezus Zelf te luisteren. Niemand kan ons immers duidelijker zeggen dan Hijzelf  voor wie Hij kwam en voor wie niet.

Jezus geeft daar uitsluitsel  over in de geschiedenis van de roeping en bekering van Levi. Als Schriftgeleerden en Farizeeën aanmerkingen maken op het feit dat Hij met tollenaren en zondaren eet en drinkt dan schenkt Jezus klare wijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen.  Met  rechtvaardigen bedoelt de Heere Jezus natuurlijk degenen die zichzelf rechtvaardig achten en daar ook aan vasthouden. Zoals hij met “die gezond zijn” bedoelt niet mensen die echt gezond zijn maar die menen het te wezen. Laat het ook voor ons volstrekt duidelijk zijn: voor hen kwam Hij niet. U zult zolang u daaraan vast houdt geen enkel voordeel hebben van Zijn komst. U hebt zichzelf van dat voordeel uitgesloten.  Dus: allen die hun stand blijven ophouden, die met zichzelf tevreden zijn, die zich kietelen met de gedachte, dat er nog zat slechter zijn dan zij, die zichzelf behagen in het feit dat zij kerks zijn en christelijk leven, die menen dat zij alles gedaan hebben wat zij zouden kunnen doen, die zichzelf minimaal een voldoende geven, helaas, Hij kwam voor u niet. Dat moet u Hem niet verwijten, maar uzelf. Het is immers zo logisch als wat dat Hij niet hoefde te komen voor mensen die zichzelf toch al redden konden. Wie niet in het water ligt kan onmogelijk een drenkeling zijn. Wie niet ziek is, is niet verlegen om een dokter. Hoe simpel kan het zijn. Helaas voor u, geen kerstfeest dit jaar. En waarschijnlijk de voorgaande jaren ook al niet. Laat de lichtjes maar uit en de rosbief maar in de diepvries, het wordt al met al toch geen kerst voor u. Hij kwam voor u niet zolang u in deze inbeeldingen blijft. Dat is uw eigen schuld.

Hij kwam voor de zondaren. Voor Levi en degenen, die met hem aanzaten. Zij zijn ziek en Jezus laat  hen dat voelen ook. Hij gaat niet bij hen aan tafel zitten om tollenaarspraat met hen te houden en zondaarspret met ze te bedrijven. Hij keurt hun handelwijze op geen enkele manier goed, niet expliciet door met ze mee te doen en ook niet impliciet door overal over te zwijgen. Hij is aan Levi’s tafel zoals een dokter aan het werk. Hij stelt een diagnose naar ernst en waarheid. Hij laat hen zien dat bekering nodig is. Daartoe roept Hij hen. Berouw en inkeer, schuldbelijdenis en betering van het leven. Hij toont dat niet alleen, maar Hij bewerkt dat ook. Zo ging het ook bij Levi. Jezus riep hem tot bekering en de uitwerking was er terstond. Hij predikt dus niet alleen de bekering tot God maar Hij schenkt die ook. Het roepen heeft dus zowel een uitwendige als een inwendige kant. Zijn komst naar deze wereld en het offer dat Hij straks gaat brengen aan het kruis hebben daarvoor ruimte gemaakt. Hij is niet alleen de Middelaar van de verwerving  en de prediking maar ook van de uitdeling en de toepassing.

Houden wij nog vast aan de inbeelding dat wij gezond zijn?  Hebt u nog  nooit werkelijk de zondaar in uzelf ontdekt?  Lukt het ons nog altijd onszelf te rechtvaardigen en daarmee in een valse gerustheid voort te leven? De profeet Jesaja had ook al met zulke mensen te doen. Hij zegt tegen hen: Gij hebt het leven uwer hand gevonden, daarom wordt gij niet ziek (Jesaja 57:10b) Wordt daarmee  ook ons beeld geschetst? En willen we dat ook zo houden? Doen wij alle moeite om dat te koesteren en alles wat het aantast buiten de deur te houden. Dan kan het onmogelijk Christusfeest gaan worden. Hij is voor ons niet gekomen. Dat heeft Hijzelf gezegd.

Kom er dan eens bijzitten aan de tafel van Levi de tollenaar. Levi, de gastheer, zal u daar zeker een plaatsje niet weigeren. Hij is veel te dankbaar dat Jezus hem geroepen heeft. Hij gunt dat niet alleen zijn medetollenaars en -zondaars, maar zou dat vast en zeker zelfs Farizeeën en Schriftgeleerden gunnen. Maar zolang uzelf weigert daarbij te gaan zitten en zondaar te zijn met hen, hebt u aan Jezus geen boodschap. Het waait u dan voorbij. Je gaat straks het nieuwe jaar in zoals je het altijd al ingegaan bent. Met een hinderlijk teveel  aan eigendunk en een schrijnend tekort aan Jezus. Arme kerkmens, die aan eigen vroomheid en godsdienst genoeg heeft. Arm mens, die zichzelf behaagt in het zijne. Je kan op die manier geen mens van het welbehagen zijn. Je staat nog overal buiten.

Hij, die tussen de zondaren plaatsneemt, zal merken dat Jezus al roepende hem de pijn van de zonde zal laten voelen. Hij trekt een wond in uw ziel. De ziekte is immers ernstig genoeg om er een operatie aan te verbinden. Maar Hij is ook een kundig Heelmeester. Hij  maakt geen wonden om ze open te laten. Geen chirurg zal dat doen, Hij evenmin. Hij maakt de wond keurig dicht. Daartoe is Hij gekomen. Om te roepen en te brengen tot bekering. Het is niet alleen een eis, maar ook een door Hem verworven en toegepast geschenk. Er klinkt een effectieve roep in het leven van een verloren zondaar. Waar dat geschiedt wordt er een feestmaal gehouden in de hemel. Maar ook op de aarde is er een waar kerstdiner. Een maaltijd voor Hem. Een grote, in jouw huis. Alle zondaars mogen komen. Ook de zogenaamde rechtvaardige die eindelijk eens zondaar werd en daarmee “rechtvaardige” af . Hij kwam voor zo één.

Ds. J.L. Schreuders

“En die terugkeren van achter de HEERE; en die de HEERE niet zoeken en vragen naar Hem niet.”
Zefanja 1:6


Ook deze keer staan we in de kerkbladmeditatie stil bij een gedeelte waar we de laatste zondagen mee bezig zijn geweest. Het is het krachtige getuigenis van de profeet Zefanja. Wij noemen hem een kleine profeet. Maar let wel, dat is niet omdat zijn prediking maar zozo is geweest. Hij wordt slechts klein genoemd omdat het boekje van zijn profetieën maar enkele hoofdstukken bevat. Wat erin staat is echter van een hoge statuur. Een groot profeet!

Hij profeteerde aan het begin van de regering van Josia, toen deze de God van zijn vader David nog niet zocht. Dat waren de eerste acht jaren van zijn regering, toen hij nog onder de voogdij van anderen stond. De prediking van Zefanja is dan ook vlijmscherp. In heftige bewoordingen kondigt Zefanja het oordeel van God aan. God gaat mens (de goddelozen) en beest wegrapen. Hij richt Zich tegen de stam van Juda en in het bijzonder de hoofdstad Jeruzalem. Hij richt Zich tegen afgodspriesters en degenen, die op de daken zon, maan en sterren aanbidden. Ook degenen, die van het heilig eed zweren een soort half-om-half gehakt maken: zij zweren bij de HEERE en bij een buitenlandse god tegelijkertijd. En dan verder iedereen, die het laat afweten in de ware dienst van God. Daarover gaat het in de tekst, die boven deze meditatie staat.

Wilt gijlieden ook niet weggaan, zo vroeg de Heere Jezus ooit aan Zijn discipelen. Dat gebeurde op een moment dat velen Hem verlieten. Zij vonden het veel te kras dat Jezus had gezegd dat je geen leven in jezelf hebt als je Zijn vlees en bloed niet eet. Zij ergerden zich aan zulke woorden en hielden het voor gezien. Een tijd lang hadden ze Jezus gevolgd. Maar nu kwam de aap uit de mouw. Zij hadden Hem nooit hun hart gegeven en zij waren slechts met bijbedoelingen achter Hem aan gekomen. Dat houdt geen stand. Jezus zegt tegen Zijn discipelen: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Dat was niet een uitnodiging of aansporing om ook maar te vertrekken. Juist niet. Het betekent: nee toch, jullie gaan toch ook niet heen?

In Zefanja’s dagen waren er blijkbaar ook mensen, die schijnbaar achter de HEERE aan gingen, maar op een gegeven moment smeerden zij ‘m een zijpad in en weg waren ze. Dan blijkt dat ze de Heere nooit echt hebben liefgehad. Anders kun je namelijk niet bij Hem vandaan. Ik vrees dat zulke mensen er ook in onze dagen zijn. Veel zelfs op het kerkelijk erf. Mensen, die altijd trouw in de kerk hebben gezeten. Opeens, je ziet ze niet meer. En ook hun levensstijl is ineens anders geworden. Je kent ze als het ware niet meer terug. Je kunt het tijdchristenen noemen. In elk geval lijkt het er sterk op dat er nooit een hartelijke betrekking op Christus is geweest. Zij liepen als de dwaze maagden slechts mee in de bruiloftsstoet. Je ziet het in onze tijd voor je ogen gebeuren. Ook op Urk en in de Moria. Natuurlijk worden er altijd zogenaamde redenen opgegeven waaraan het ligt. De gemeente, de kerkenraad, de dominee, je ouders of juist je kinderen. Maar de ware oorzaak wordt verzwegen. Die ligt daarin dat er geen hartelijke verbinding is met God en Zijn Woord. Zo glippen ze weg, een zijstraat in. Zij schenen te volgen, maar schijn is nog geen zijn. Wij moeten voor onszelf maar met geen schijn tevreden zijn. Het gaat om waarheid in ons binnenste. Dat is blijvend, dat alleen.

Zefanja moet het oordeel aankondigen over allen in Juda en Jeruzalem die van achter de HEERE afwijken. Hij zegt van ze, dat zij de HEERE niet zoeken en naar Hem niet vragen. Dat is een rake typering. De ware volgeling zal Hem zoeken en raadplegen. Hij heeft de HEERE nodig en daarom zoekt hij Hem in Zijn Woord en in het gebed. Hij raadpleegt de Schriften om van Hem onderwezen te worden en hij vraagt ook God om hem de weg te wijzen. Dat zijn de kenmerken van de echte discipel. Zefanja zag er velen bij wie dat ontbrak. Hij zegt ze het oordeel aan net zoals hij dat met de goddelozen doet en met de Baälpriesters.

Beste lezers, Petrus kon niet weg toen de Heere Jezus hem vroeg: jullie gaan toch ook niet heen? Hij mocht de woorden spreken: Waar zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven! Hij zocht Jezus met zijn hele hart en vroeg naar Hem. Doen wij dat ook, dan kun je bij Hem niet vandaan. Je kleeft dan de Heere aan. Wie dat niet doet, moet met zijn schijngodsdienst maar niet tevreden zijn. Wie kan met schijngodsdienst tevreden zijn als het in oprechtheid moet en kan? Ga de HEERE eens waarachtig zoeken en raadplegen en belijd eens al je schone schijn. En u die al een zijstraat bent ingeglipt, omdat Hij toch al niet zoveel voor je betekende, keer toch terug! En dat niet om uw schijn te vervolgen, maar om Hem in oprechtheid te dienen. Hem zoeken en naar Hem vragen. Dicht achter Hem aan. Dan strekt hij Zijn hand niet tegen u uit (vers 4) maar naar u uit. Hij keert zich om en zegt: Je wilt toch niet weg? En je antwoordt: nee HEERE, nooit, alstublieft niet!

Ds. J.L. Schreuders

“En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië  en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan en in de steden der Meden. Daarom dat zij de stem des HEEREN , huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN geboden had, dat hadden zij niet gehoord noch gedaan”
(
2 Koningen 18:11 en 12)

Nog een keer Hizkia. Elf preken en – met deze erbij- 2 meditaties in het kerkblad maken het beeld van deze knecht van de HEERE compleet. Hopelijk hebben veel hoorders en lezers hun winst gedaan met hetgeen in de Heilige Schrift van deze zoon van David staat vermeld.

In bovengenoemde verzen gaat het niet over wat met Juda is gebeurd, maar  over wat gebeurde met het tienstammenrijk van Israel, waar Hosea de laatste koning in Samaria was. Salmaneser, de koning van Assyrië kwam en nam deze stad in na een beleg van een paar jaren en voerde een behoorlijk deel van het volk weg naar hoge noordelijk gelegen streken bij de bovenloop van de Eufraat en de Tigris. Vanuit die streken deed hij dan weer mensen verhuizen naar Israel, zodat de volken vermengd  raakten. Op die manier had je het minste risico van opstand in je koninkrijk, zo vonden de Assyriërs. Een tactische zet dus.

Die wegvoering vond plaats gedurende het zesde jaar, dat Hizkia te Jeruzalem regeerde. Het was dus nog tamelijk aan het begin van zijn koningschap. Dit moet diepe indruk op hem gemaakt hebben dat het broedervolk van de tien stammen zo aan zijn eind kwam. Bij de hervorming van de godsdienst (helemaal aan het begin van zijn regering) was namelijk al gebleken dat hij die stammen niet vergeten was en zelfs een warm hart toedroeg. Hij rekende hen nog altijd bij het volk van God. De Heere had Hizkia door genade een ruim hart gegeven. Genade maakt altijd gunnend en schrijft niet onnodig snel af. Droge, wettische en harteloze  godsdienst maakt een mens kortzichtig, hard en bekrompen. Maar als je zelf de HEERE mag aankleven zoals Hizkia, gun je iedereen de waarachtige bekering tot God. Je zou wel wensen dat iedereen erbij mocht horen en zalig werd. Je zou een ieder er wel in willen betrekken Nee, ik weet het: niet iedereen wordt zalig, maar je zou het wel iedereen willen geven. Dat is een van de kenmerken waar aan je gewaar kunt worden of jezelf wel genade kent of niet.

Het moet Hizkia dan ook heel zeer gedaan hebben aan zijn ziel, dat het koninkrijk van het noorden voorgoed verleden tijd werd. Er woonden nadien nog wel resten van de verloren stammen in het voormalig koninkrijk van Samaria, dat bij Assyrië was ingelijfd en ook in Juda waren er wel vluchtelingen uit het noorden komen wonen. Maar  toch bevatte wat er met Samaria gebeurde een heel ernstige les. Hizkia heeft die les in acht genomen. Het heeft hem des te meer erin bevestigd dat hij de ware dienst van de Heere moest bevorderen. Daar was hij al meteen mee begonnen toen hij koning werd, maar dit was een extra aansporing. Hij zag waarin Samaria gestruikeld was en dat moest voor Jeruzalem koste wat het koste voorkomen worden.  Anderen – na hem – hebben die les in de wind geslagen. De profeet Jeremia zal het later zo zeggen : De trouweloze ( Juda) zag wat haar zuster, de afkerige ( Israël) overkomen was, maar zij bekeerde zich niet en volgde haar spoor. Een spoor dat dood liep. Zo is 135 jaar later Jeruzalem de ondergang van Samaria gevolgd. Toen was het Nebukadnezar die haar lot bezegelde.

Lieve lezers, er is een spreekwoord dat luidt: gestrande schepen zijn een baken op zee. Spreekwoorden zijn gewoonlijk waar, want anders zouden het geen spreekwoorden zijn geworden. Samaria werd zo’n gestrand schip. Het verging omdat zij de stem van de HEERE, hun God niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden. Zij hebben alles wat Mozes geboden had niet gehoord noch gedaan, zo staat er. Zowel op godsdienstig als op ethisch gebied gingen zij liever hun eigen weg. Dan komt het ervan dat je je eigen graf graaft. De goddelozen zullen niet welslagen, maar zijn als het kaf dat wegstuift voor de wind. De Heere heeft dat in het zesde jaar van Hizkia overduidelijk laten zien. Van heel dichtbij!

Wij trekken de lijn door naar onze tijd. Hoeveel kerken , die vroeger het Woord van God en het zuivere evangelie hoog in het vaandel hadden staan, zijn inmiddels afgezakt naar een niveau waarop je van de oude waarheid niet meer kunt spreken. Wij denken aan de voormalige gereformeerde kerken die voortkwamen uit  afscheiding en doleantie. Wij zien het ook gebeuren in sommige kleinere kerken, die uit de afscheiding zijn voort gekomen. Wat is er nog over van de gereformeerde leer en levenspraktijk? Wij zien het bij heel veel christelijke organisaties, zoals vakbonden, publieke omroepen ( NCRV/EO), ziekenhuizen , scholen, politieke partijen,kranten, enzovoort. Zij zakken weg in een verwaterd christendom, zij passen hun statuten aan, fuseren met andere instanties en zo verliezen zij de bijbels – christelijke kleur.

Je moet met je tijd mee, zo hoort men dan. Zachtjesaan zie je dat ook orthodox – christelijke instanties mee verschuiven. Haast ongemerkt. Stapje voor stapje. Natuurlijk moeten wij antwoorden hebben op de vragen van onze tijd. Maar in de christelijke leer en de christelijke ethiek mag en kan niet worden gesneden. Wij mogen niet ongehoorzaam worden aan het Woord van de Schrift. Wij mogen de oude paden niet verlaten, die God uitdrukkelijk in Zijn Woord en wet heeft bekend gemaakt. Dan ga je de weg van Samaria op, die later ook door Jeruzalem is gevolgd. Je zaagt de poten weg van de stoel waar je als kerk zelf op zit. Zo mag het niet gaan in de kerken, in christelijke organisaties en vooral ook niet in de gezinnen en in de persoonlijke levens van een ieder van ons. Je werkt aan je eigen ondergang als je het Woord terzijde schuift en de Heere maar laat praten. De val van Samaria is een teken aan de wand, een baken op zee.

Dat wij als Hizkia de waarschuwingen maar zeer ter harte zullen nemen. Die waarschuwingen zijn er in onze tijd  zeker niet minder dan toen. Met name als we naar de kerkgenootschappen kijken. Hoeveel zijn er reeds niet geheel of nagenoeg verdwenen? Hoeveel zijn er niet, die nog nauwelijks als kerk te herkennen zijn? Allemaal nabij de verdwijning. Daar mogen wij nooit hoogmoedig op neer zien. Wij mogen nooit denken: maar dat zal mijn kerk, mijn partij, mijn gezin, mijzelf nooit overkomen. Zelfingenomenheid is misschien wel het allergrootste gevaar om af te gaan glijden. Dan ben je  namelijk niet wakker. De Heere make ons standvastig, robuust en van harte gehoorzaam. Hij schenke ons met alle bereidwilligheid niet alleen zelf naar Zijn Woord te leven maar ook anderen vrijmoedig daartoe op te roepen. Hizkia heeft dat door Gods genade mogen doen, ook al was hij zelf ook niet zonder gebreken, zoals wij hebben gezien.  Let op wat er allemaal om je heen gebeurt, wees geen struisvogel, vraag om in ootmoed en standvastigheid  en met een waar geloof naar het Woord van God te mogen denken en handelen. De zee ligt al vol genoeg met scheepswrakken. Er kunnen er niet meer bij.

Ds. J.L. Schreuders

“… en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.”
2 Koningen 18:4b

U hoorde al een aantal keren een preek over de vrome koning Hizkia. Zoals de hele Schrift is ook dit vanzelf rijke stof. U zult dat ook wel hebben gemerkt. Wij hebben het alleen nog niet over de koperen slang gehad. Die bijzonderheid wordt niet vermeld in 2 Kronieken, terwijl wij juist daar de uitvoerigste beschrijving tegenkomen van de reformatie van de godsdienst, die Hizkia aan het begin van zijn regering tot stand heeft gebracht (zoals u nu wel weet: na de slechte tijd onder zijn goddeloze vader Achaz).

Hij reinigde niet alleen de priesters en de Levieten, niet alleen de tempel en de hele stad Jeruzalem, hij brak ook in het gehele land de hoogten af waarop ten onrechte zowel aan de Heere als aan andere goden gerookt werd. Alleen in de tempel te Jeruzalem mag de offerdienst plaatsvinden en dan natuurlijk ook alleen aan de HEERE. Nergens anders, zo staat het in de wet van Mozes bepaald. Weg de hoogten! Weg de afgoden!

Weg ook de koperen slang!  Iedereen weet welke belangrijke functie zij in de woestijntijd heeft gehad. Het oordeel van God hield op over iedereen, die in geloof op de koperen slang zag. Dat zag op Christus, Die aan een door de zonde gewonde ziel redding verleent. Jezus Zelf heeft ons dat uitgelegd in Zijn gesprek met Nicodemus.

Nu lezen wij nergens dat de Heere gezegd heeft dat die koperen slang altijd bewaard moest blijven. Dat hebben de Israëlieten kennelijk wel gedaan. Op zich is dat geen zonde. Je zou kunnen denken dat zij een treffend aandenken was aan wat er in de woestijn gebeurd was. Ook zou zij later een troost kunnen bevatten voor zielen die ook zelf gewond zijn door de zonde. Zij zou de genade van God ook aan die mensen kunnen tonen.

Maar strikt nodig daarvoor was zij niet. God wil gewoonlijk Zijn volk niet door de stomme beelden onderwezen hebben, maar door de levendige verkondiging van Zijn Woord. Zij hadden sinds Mozes deze geschiedenis al in hun Bijbel staan. Dat was herinnering genoeg. Godvruchtige priesters en Levieten konden in de tempel en daarbuiten uitleggen wat die slang betekende en waar zij heen wees. Daar hebben ook zij dus de stomme beelden niet voor nodig gehad. Ook niet een bewaarde koperen slang.

Wij zien dan ook hoe gemakkelijk een bijgelovig  volk er de mist mee kan ingaan. Zij zijn de koperen slang die blijkbaar dichtbij of in het heiligdom bewaard werd, gaan vereren alsof zij zelf een god was. Zij rookten aan haar. Dat betekent dat zij wierookoffers brachten. Wierookoffers staan gelijk aan de gebeden. Zij verwachtten dus van die slang (een dood ding) verhoring op hun smekingen. Dat is pure afgoderij.  Zoals de efod, die Gideon maakte voor de kinderen Israëls tot een valstrikt werd. Dan mag er nog zo’n rijke boodschap in die kopen slang verborgen liggen en dan mag zij nog zo’n rijke heenwijzing bevatten naar Christus, zij is uit den boze als zij tot een god wordt verheven. Dat heeft Hizkia heel goed begrepen. Bij de beeldenstorm, die zijn reformatie ontketende, behoorde ook het wegdoen van de slang die ooit door Mozes gemaakt was. Niet uit gebrek van respect voor Mozes, evenmin uit het oogpunt van ontkenning van wat de Heere door middel van die slang gedaan had, maar omdat God niet in een afbeelding wilde worden vereerd en omdat Hij geen andere god naast zich kan dulden.

Heel terecht heeft de koning de koperen slang dan ook ontgoddelijkt. Hij noemde haar Nehustan, dat betekent: koperen ding. Het was ook niet meer dan dat: een stuk koper. Zeker als je het ook nog verkeerd gebruikt. Koper en alleen maar koper. Daarmee houdt het op. Het moet ons niet tegen de borst stuiten dat Hizkia dit gedaan heeft. Hij is daarmee opgekomen tegen de afgoderij en dat valt in hem te prijzen. Hij kleefde de HEERE immers aan! Dus werd het: weg koperen slang!

Het zuivere reukwerk der gebeden mag alleen maar opgezonden worden naar de Heere en Zijn Christus. In Jeruzalem heeft men zich beijverd om dat aan de koperen slang te doen. Kennelijk ook geruime tijd want er staat: tot die dagen dat Hizkia er een einde aan maakte. Dat wijst op een langere tijd dat men dit was blijven doen. Er staat ook dat de kinderen Israëls dat deden, dus ook in grote meerderheid van het volk.

Dat er bij ons niet geringere ijver zou zijn om de echte koperen slang  te aanbidden. Hij, Die Zich tot zonde liet maken en daarom Zich met een slang liet vergelijken! Hij kan aangeroepen worden als de ziel van zonde bloedt, als de slangenbeet gevoeld wordt in onze hielen, als het oordeel des doods nabij is en er geen redder is. Hem te wieroken met de wierook van een ernstig smeekgebed, dat is goed. Daar hebben we Hem voor nodig, maar geen koperen ding dat slechts koper is.

Ds. J.L. Schreuders