“En deze had een zuster, genaamd Maria, welke, zittende aan Zijn voeten…” (Luk. 10:39)

Martha was een flinke vrouw. Haar man was lang afwezig geweest, maar al die tijd had zij het huis bestuurd met vaardige hand. Er was groot verdriet in haar leven gekomen, maar daarna ook grote vreugde, want Jezus had haar lief!

Maar niet alleen haar. Jezus had ook haar huisgenoten lief. Haar man, haar zus, haar broer. In Lukas wordt alleen die zus genoemd. Maria heet zij. Dat was de meest voorkomende naam in het Israël van die dagen. Ontleend aan de zus van Mozes, Mirjam.

Wat weten wij van deze Maria? Vanuit wat zij zegt bijzonder weinig. Martha horen we regelmatig spreken, Maria bijna nooit. In de drie geschiedenissen waarin zij voorkomt komt zij zelf maar eenmaal aan het woord. Er wordt heel veel tegen haar gezegd, en ook heel wat over haar. Maar zelf zegt ze bijna niets. Het enige wat ze zelf zegt, is bijna letterlijk hetzelfde als wat haar zus Martha eerder gezegd heeft (Joh. 11:32). Ze is in woorden geen hoogvlieger.

Hier ligt waarschijnlijk ook het antwoord op iets raadselachtigs van deze familie. Is het u nooit opgevallen, dat het vreemd is dat hier twee zussen en een broer in één huis wonen. Geen tieners die nog bij hun ouders thuis wonen, maar volwassenen die in het huis van hun zus wonen. Dat was in die cultuur volstrekt ongebruikelijk. Je bleef bij je ouders thuis totdat je ging trouwen. Daarna had een man zijn eigen huis. En een vrouw kwam te wonen in het huis van haar man. Waarom woont dan Maria nog in het huis van haar zus?

Dat moet er mee te maken hebben, dat zij niet kon trouwen. Wat is dat bij Maria geweest? Zij was een vrouw die nauwelijks sprak, en die nooit slimme dingen zei. Een vrouw die sprak door haar dáden: aan de voeten van Jezus zitten, Zijn hoofd zalven met nardus. Maar die daden werden door anderen niet serieus genomen. Ze deed volgens Martha en Judas de verkeerde dingen op het verkeerde moment.

Als we deze dingen wat op ons in laten werken, dan verschijnt er een duidelijk beeld van Maria op ons netvlies. Zij was een simpele ziel. Wij zouden waarschijnlijk zeggen: verstandelijk beperkt. Een vrouw die niet getrouwd was en wel ongetrouwd zou moeten blijven. Die afhankelijk was van de leiding van haar zus en nooit zelfstandig zou kunnen wonen. Die veel van de wereld om haar heen niet begreep en door anderen niet begrepen werd. Die veel verwijten kreeg maar… zich nooit verdedigde.

Lees maar eens goed. Het is telkens Jezus Die het voor haar opneemt. Hij verdedigt deze vrouw die zelf niet weet wat ze zeggen moet. En steeds weer laat Hij horen, dat niet degene die het zo goed weet gelijk heeft, maar zij die zo dom en onbenullig lijkt. Een levende illustratie van 1 Kor. 1:27: ‘Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou.’

Zo krijgt het beeld van Maria aan Jezus’ voeten nog meer diepte en reikwijdte.

Hier zit een vrouw die bij de wereld niet in tel is maar wel bij Christus. Hij kijkt anders dan de wereld. ‘De mens ziet aan wat voor ogen is, maar Hij ziet het hart aan’. ‘Ik dank U Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, maar hebt ze de kinderkens geopenbaard.’ En naamgenoot Maria zong: ‘Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken en nederigen heeft Hij verhoogd.’ Dan hoeven wij (verstandelijk) gehandicapten niet ‘minder-begaafd’ te noemen. Immers, dít zijn pas echte gaven, als Christus Zijn liefde je schenkt. Dan hoeven wij met onze kracht of ons verstand ons niets te verbeelden, want voor God is het niets als het niet op Hem gericht is.

Hier zit een vrouw die geleerd heeft wat ze nodig heeft. Ze zit aan Zijn voeten, want ze voelt zich soms zo onwetend. Wat wil ze graag meer leren van haar lieve Meester! Wat ben je gezegend als je je onwetend voelt en leergierig bent. Soms staat een hoog IQ je in de weg, omdat je meent het beter te weten dan God. Soms staat een laag IQ je in de weg, omdat je vreest dat je het toch nooit zult leren. Allebei worden we door dit voorbeeld op onze plaats gezet. Maria heeft niet de pretentie dat zij het wel weet, maar ze denkt ook niet bij voorbaat dat ze toch niets kan leren. Nee, ze weet maar één ding: Hij weet wat ik niet weet, Zijn stem is mij lief, Zijn woorden zijn mijn eten en drinken. Het maakt haar niet uit wat ze al weet of onthouden kan, het gaat haar er om wat Jezus haar te zeggen heeft.

Hier zien we een vrouw, die het werk van Christus zichtbaar maakt. Paulus schreef dat God het dwaze heeft ‘uit¬verkoren’. Nee, niet dat een rijke, slim¬me, sterke bij voorbaat geen kans maakt op de zaligheid. Het punt is meer, dat die rijken, slimmen en ster¬ken er vaak zelf niet zo’n behoefte aan hebben; zij sluiten zichzelf uit… Maar wat Paulus vooral wil zeggen is, dat Christus een bijzonder zorgzaam oog heeft voor mensen aan de rand. Voor armen, blinden, kreupelen, verachten. ‘Wie mij veracht, God wou mij niet verachten!’ Hij is een Goede Herder, Die zo’n liefdevol oog heeft juist voor degene die niets is en hulpbehoevend. Omdat Hij een volkomen zaligmaker is. Het is bij Hem in zekere zin alles of niets. Hij wil niet Zijn bijdrage leveren aan iemand die het meeste wel zelf kan, maar Zijn genade aanbieden aan degene die niets meer kan. De gebrek volle omstandigheden kunnen daarbij helpen. Maar het gaat toch om meer. Het gaat er om, dat het in onze ziel zo leeft. Dat wij ons volkomen gebrek beseffen. Geen kracht, geen wijsheid, geen verdienste meer.

Daarom moeten we allemaal van ons voetstuk vallen wil het goed komen. ‘Aan des Heilands voeten’ is de hoogste plaats. De plaats waar je ontferming vindt. Van de Ontfermer, Die niet vraagt wat je hebt maar wat je bij Hem zoekt. Hij ziet zo graag een arme zondaar tot Zich komen. En een arme zondaar – die ziet zo graag een rijke Heiland komen. En hier is Hij! Van Wie David al gezongen heeft:
‘d Eenvoudigen wil God steeds gadeslaan.
‘k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.

M. van Reenen V.D.m.

“Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief”
(Johannes 11:5)

We weten inmiddels iets meer van Martha en haar man Simon. Simon is weer genezen, ze zijn weer bij elkaar, ze hebben een groot huis en alles wordt goed bijgehouden door Martha, die harde werkster.

Weten we nog meer, weten we iets over hun hart? Jazeker! Martha is een gastvrije vrouw, die haar huis met liefde juist voor de Heere Jezus open stelt. Dat geldt ook voor Simon. Zij hebben de Heere Jezus lief. Dat is een van de mooiste dingen die er over je gezegd kunnen worden.

Misschien denkt u wel: Dat is toch het állermooiste? Als de Heere Jezus aan je vraagt: ‘Hebt gij Mij lief?’ en je hart gaat open en je mag zeggen: ‘Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.’ Als mensen op je letten, dan bestaat er toch niets mooiers dan dat ze zien: hij houdt echt van de Heere Jezus!

Toch is er nog iets diepers, iets nog rijkers. Iets wat eerder komt en later geleerd wordt. En dat is: ‘God heeft mij lief.’ Dat is groter en heerlijker, omdat dit vast ligt. Mijn liefde voor Christus kan verminderen, ja zelfs verdwenen lijken. Maar Zijn liefde verandert niet! ‘Ik, de HEERE, wordt niet veranderd, en daarom zijt gij, o huis Jakobs, niet verteerd.’ Als ik mijn liefde tot Hem niet meer voel, dan voelt Hij nog steeds dezelfde liefde tot Mij als eerst.

Zijn liefde is zo wonderlijk, omdat er eigenlijk geen reden voor is. Wij hebben álle reden om God lief te hebben, omdat Hij zo groot en heerlijk is, zo heilig en genadig. Maar wat voor reden heeft Hij om ons lief te hebben…? ‘De HEERE heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren om uw veelheid boven andere volkeren (…) maar omdat de HEERE ulieden liefhad’ (Deut. 7:7-8). Meer nog, er is alle reden om ons niet lief te hebben. ‘Wij zijn van nature kinderen des toorns’ (Ef. 2:3). We geven God alle reden om ons te verwerpen. Wat is dan de reden voor Zijn liefde? Zijn liefde! ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, en daarom heb Ik u getrokken’.

Ziet u dat Zijn liefde groter is dan de onze? Dat te kunnen zeggen ‘God heeft mij lief’ nog wonderlijker is dan ‘God heb ik lief?’ Dus dat is ook het mooiste wat er over Martha, Maria en Lazarus (en Simon) te zeggen valt. Jezus had hen lief.
Hoe kwam dat zo? Nou, vast door hun gastvrijheid. Hij was zo hartelijk ontvangen, Martha deed zo veel voor Hem en Zijn discipelen, Maria luisterde zo trouw naar Hem. Zou Hij zulke mensen niet liefhebben?

O ja, dat is allemaal waar. Er was wederzijdse liefde. De Heere Jezus heeft van de gastvrijheid en warmte van dit huis genoten. Maar dat betekent nog niet, dat het bij hen begonnen is. Het is niet zo dat de Heere Jezus het land door gegaan is op zoek naar mensen die Zijn liefde waard waren. Hier geldt wat Johannes elders schrijft: ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad.’ Hoe weten we dat? In het Evangelie staat dat niet, maar in het Evangelie staat wél hoe het zit met die liefde van God: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft’ (Joh. 3:16). Onder dit woord vielen ook deze broer en zussen. Hij had hen zo lief dat Hij Zichzelf aan hen gegeven heeft.

Jezus ging niet het land door op zoek naar mensen die Zijn liefde waard waren. Maar Hij ging wel het land door op zoek naar mensen aan wie Hij Zijn liefde kwijt kon. Opzoekende zondaarsliefde, zoals het lied zingt: ‘Ja, Zijn liefde zocht mij’. En hier waren mensen die Zijn ontferming opriepen. Simon de melaatse, Lazarus de zwakke, Maria de eenvoudige. (Van hen hopen we een volgende keer te horen.) Mensen die leerden dat zij het van ontferming moesten hebben, niet meer zichzelf op de been konden houden, niet langer Zijn liefde konden weerstaan. Zij proefden Zijn liefde toen konden ze niet meer bij Hem vandaan blijven. Toen was er voor hen niets heerlijkers dan om bij Hem te zijn. Vandaar dat voor Hem en Zijn discipelen de deur altijd open stond, vandaar dat Maria zat aan Zijn voeten; dat was voor haar de hoogste plaats!

Dus Zijn was liefde eerst, toen die van hen. En toch geldt ook, dat je vaak Zijn liefde pas later leert kennen. En dan bedoel ik: met persoonlijke toepassing. Zodat je kunt zeggen: Jezus heeft mij lief, ook mij, zelfs mij.

Het geloof betekent wel: het erkennen van Gods liefde. Die niet langer kunnen ontkennen en wantrouwen, maar omhelzen en vertrouwen. En toch, als je dan kijkt in je hart, dan durf je eerder zeggen: ‘Ik heb Hem lief’ dan ‘Hij heeft mij lief’. Maar dat is wel wat je mag en moet leren. Als je Hem liefhebt, dan kan dat alleen doordat Hij jou liefheeft. Wat wordt je daar klein onder: ‘Ben ik het, Heere?’

Martha, Maria en Lazarus wisten dat de Heere hen lief had. De Evangelist vond het belangrijk om dat nog afzonderlijk te vermelden. Waarom? Dat heeft natuurlijk alles met de geschiedenis te maken. In Johannes 11 gaat het over de ernstige ziekte van Lazarus. Een ziekte die zo ernstig is dat het zeker zijn dood zal worden als de Heere het niet verhoedt.

Als zoiets in je leven gebeurt, kan alles over de kop gaan. Al je zekerheden, al je troost, al je denken over God. ‘Als God van mij afwist, zou Hij dan dit laten gebeuren?’ Of misschien denken anderen wel zo, net als bij die blindgeborene: ‘Wie heeft er gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?’ (Joh. 9:2). God moet je haast wel verworpen hebben als Hij dit laat gebeuren… Nee, zegt de evangelist, nee! Jezus had Lazarus lief, ook toen Hij het liet gebeuren dat Hij zo ernstig ziek werd. Zijn liefde kun je niet afmeten aan de omstandigheden! Je leest Zijn liefde in het Woord, je herkent ze in je hart.

Wat is die liefde ook onmisbaar als de stormen komen. Als Martha en de anderen maar zouden weten dat Jezus hen lief had, dan zouden ze niet moedeloos hoeven zijn. Ze weten dat ook wel, maar benoemen Zijn menselijke liefde (filia, vers 3). Maar als zij nu maar wisten van Zijn eeuwige, Goddelijke liefde (agape, vers 5), dan zouden zij met Paulus roemen (Rom. 8:31-33): ‘Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?’

M. van Reenen V.D.m.

“Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon, de melaatse”
(Matth. 26:6)


Als de Heere Jezus rond de grote feesten in Jeruzalem was, vond Hij voor de nacht vaak een gastvrij onthaal een paar kilometer verderop, in Bethanië. Daar stond het huis waarin Martha, Maria en Lazarus woonden. Van wie is dat huis? ‘Martha ontving Hem in haar huis,’ schrijft Lukas, maar Mattheüs zegt: ‘ten huize van Simon’. Is het huis nu van Martha of van Simon? Van allebei. Tegenwoordig zouden we zeggen: dat is logisch, want je trouwt in gemeenschap van goederen, en zo staat ons huis meestal op naam van man én vrouw. Zo was dat toen echter niet: alle bezit stond op naam van de man. Opmerkelijk dan, dat het huis van Simon ergens anders ook het huis van Martha genoemd wordt…

Maar voor een Urker is het niet zo vreemd. Het was hier gebruikelijk dat de vrouw het huis kocht. Waarom? De man zat op zee, hij had geen tijd voor zulke praktische dingen, was al lang blij dat zijn flinke vrouw zulke dingen regelde.

Zoiets heeft waarschijnlijk hier ook gespeeld. Er is een groot gat gevallen in het gezinsleven. Simon werd melaats. Hij kreeg de gevreesde ziekte. Eerst wilden ze het haast niet geloven, maar de priester liet geen spoor van twijfel over. Het was echt zo. Simon was ernstig ziek en dus ook onrein. Hij kon niet meer onder de mensen verblijven. Hij mocht zelfs niet meer bij zijn eigen vrouw ver­blijven. Een uitgestotene werd hij.

En Martha stond er alleen voor. Het huwelijksgeluk viel in duigen. Haar man van wie ze zo veel hield mocht ze nu alleen nog maar van afstand zien. Ze zorgde zo goed voor hem als ze kon. Onderdak, eten, kleding – ze kon het alles wel klaarmaken maar mocht het slechts van afstand geven. Een groot verdriet kwam in haar hart, ze was al weduwe terwijl haar man nog leefde…

O, ze had genoeg om voor te zorgen. Ze had een groot huis en enorme werklust. Voor Urker vrouwen deed ze niet onder. ‘Een vrouwenhand staat nooit stil’ – zeker die van Martha niet. Ze werkte als een paard en organiseerde als een manager. Wat dat betreft leek ze op de vrouw van Spreuken 31. In haar grote huis was veel te regelen; ook droeg ze zorg voor haar zus Maria en haar broer Lazarus. Wat dat betreft was haar leven wel gevuld. Maar er was zo’n diep verdriet, zo’n gat in haar leven…

En toen kwam Jezus. Dat zegt alles. Ook nu zijn er velen die kunnen vertellen hoe alles anders werd toen zij hoorden van Jezus. Hij ontfermde Zich over dit geplaagde echtpaar. Wanneer het gebeurd is weten we niet, maar het is gebeurd: Simon is van zijn melaatsheid genezen. Zijn ziekte was over, de doodsdreiging hing hem niet meer boven het hoofd, zijn onreinheid verdween – en hij mocht weer bij zijn vrouw komen. O, wat een heerlijk weerzien! Wat zullen zij elkaar in de armen gevallen zijn, wat zullen ze genoten hebben van elkaars liefde.

Maar er ging iets bovenuit. Dat was de liefde van Jezus. Hij had Zich over Simon ontfermd, en zo ook over Martha. Van Hem staat: ‘Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief’ (Joh. 11:5). We weten niet waarom Simon daar niet genoemd wordt, maar ongetwijfeld gold het ook voor hem. Dat Hij Simon van zijn melaatsheid gereinigd had, getuigt van Zijn grote liefde. Niet voor opgeknapte mensen maar voor verlorenen, te vuil om aan te pakken. Simon had zichzelf niet kunnen opknappen, maar Christus heeft het hele werk gedaan. Het enige wat Simon ‘gedaan’ heeft: zich door de Heere Jezus laten reinigen. En is het geloof iets anders dan dat? ‘Laat u met God verzoenen’ dringt Paulus aan. Laat u zalig maken, ‘laat Eén uw Helper wezen’, laat Hem toch Zijn liefdeswerk aan u verrichten.

Dit kun je nooit vergeten. Het verleden is voorbij – maar toch niet. De melaatsheid is verleden tijd, maar nog draagt hij zijn bijnaam: ‘Simon de melaatse’. Soms blijft het verleden aan je kleven: ‘Wie eens steelt is altijd een dief.’ Mensen blijven je er op aan kijken, je draagt de last van het verleden mee. Dát is niet Gods bedoeling. Maar als Simon zijn bijnaam hoort, dan wordt hij altijd herinnerd aan Gods grote genade.

Het is als bij de blindgeborene, die altijd ‘blindgeboren’ blijft maar nu zeggen kan: ‘Eén ding weet ik: dat ik blind was en nu zie.’ ‘Eén ding weet ik, dat ik melaats was en nu gereinigd ben.’ En zo mag ieder die tot Christus gevlucht is zeggen: ‘Ik was verloren maar ben gevonden. In mijzelf een zondaar, in Hem gered. In mijzelf onrein, in Hem zuiver.’ Laten we ons allen de vraag stellen of we weten van zonde en genade. En laten allen die hier ‘ja’ op kunnen zeggen nooit vergeten wat hun afkomst is. Om zo ook nooit te vergeten hoe groot Zijn genade is. Sterker nog, hoe langer hoe meer zich over Hem verwonderen.

En Hem ontvangen in je huis en leven. Wie terug kan zien op Zijn redding, zal uitzien naar Zijn aanwezigheid. U ook?

Ik ben nooddruftig, arm en naakt,
o God, mijn Helper uit d’ ellenden,
haast u tot mij, wil bijstand zenden.
Uw komst is ’t die mijn heil volmaakt!

M. van Reenen V.D.m.

 

“En een zekere vrouw met name Martha ontving hem in haar huis.”
(Lukas 10:38)

De Heere Jezus had als mens nagenoeg niets in bezit. Zelfs geen kussen (Luk. 9:58). Maar in Galilea was wel een huis waar Hij woonde (Joh. 1:40); als Hij daar was, dan kon er gezegd worden dat Hij ‘in huis was’ (Mark. 2:1), dus daar was Hij thuis. Het huis was dan wel niet Zijn eigendom, maar Hij kon er in- en uitlopen, zoals Elisa in Sunem (2 Kon. 4:10).

Vaak was de Heere Jezus niet in Galilea maar in Jeruzalem. Daar had Hij niet zo’n eigen woonruimte. Meer dan eens verbleef Hij dan op de Olijfberg (Luk. 21:37). Maar als Hij binnen wilde slapen, dan moest Hij het hebben van iemand die zijn woning voor Hem open stelde. Dat kon niet iedereen, want wie de Heere Jezus ontving, kreeg Zijn discipelen er bij, twaalf mannen in elk geval.

En zo’n gastvrije woning kwam er! We weten niet wanneer het gebeurd is, maar op een keer werd de Heere Jezus in Bethanië hartelijk uitgenodigd om binnen te komen, om de maaltijd te gebruiken en te overnachten. En daarna was Hij telkens weer welkom als Hij in Jeruzalem kwam. Het kan haast niet anders of deze mensen zijn gedurende het optreden van de Heere Jezus geraakt door Zijn wonderen en Zijn prediking. In hun hart zijn geloof en liefde geboren. Zij wilden nu zo graag iets terugdoen voor de Heere Jezus Die zo veel voor hen gedaan had…! Geen moeite was hen te veel.

Dit huis was van Martha, en in haar huis woonden ook haar broer Lazarus en haar zus Maria. Het feit dat deze mensen bij hun zuster inwoonden, betekent dat zij ongetrouwd waren. We hopen hen later nog wel eens tegen te komen. En Martha, was zij ook ongetrouwd? Dat idee hebben we vaak, maar dat is waarschijnlijk niet het geval geweest. We komen Martha namelijk nog een keer tegen, vlak voor het sterven van de Heere Jezus. Daar is zij aan het dienen (Joh. 12:2) ‘ten huize van Simon, den melaatse’ (Matth. 26:1). Het huis van Martha is dus hetzelfde huis als het huis van Simon – oftewel: Martha is getrouwd met Simon.

Waarom wordt het huis van Simon dan hier Martha’s huis genoemd? Dat laten we liggen voor de volgende keer. Voor nu staan we stil bij het feit dat deze Martha haar huis open stelde voor de Heere Jezus. Daarin liggen belangrijke lessen voor ons. Ik noem er nu twee.

In de eerste plaats het belang van herbergzaamheid. Wat is het mooi om te zien als mensen hun huis open stellen voor anderen. Dit is een Bijbels gebod (Hebr. 13:2). En veel Bijbelheiligen zijn ons hierin tot voorbeeld, zoals Abraham, Lot, Simon de lederbereider, Lydia, Aquilla en Priscilla. Zij stelden hun huis open voor anderen, en wel in het bijzonder voor broeders en zusters (3 Joh:8).

Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden. Een zo groot huis als Martha had niet iedereen in Bethanië, niet overal pasten de Heere Jezus met Zijn discipelen. En zo heeft nu niet iedereen ruimte om vluchtelingen op te vangen, gastgezin te zijn voor pleegkinderen of de hele familie te laten logeren. Maar ook een klein huis kan gastvrij zijn. En echte gastvrijheid betekent, dat je hen wilt ontvangen van wie je niet zoiets terug kunt krijgen (Matth. 5:46). Niet voor de gezelligheid dus maar uit liefde. In het besef dat niets van wat je hebt van jezelf is: je huis niet, je keuken niet, je eten niet, je bed niet. ‘Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?’ (1 Kor. 4:7).

Er is één plaats waar we dit echt kunnen leren: ‘Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden’ (2 Kor. 8:9). Maar deze gevende liefde van de Heere Jezus kennen we zomaar niet. Van nature begrijpen we die niet en beantwoorden we die niet. Daarom is er nog iets anders nodig, en dat is onze tweede les.

Zoals Martha de Heere Jezus ontving in haar huis, zo moeten wij Hem ontvangen in ons hart. ‘Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop’ (Openb. 3:20), zo klinkt Zijn roepstem. Hij klopt, opdat Hij binnen mag komen om in ons hart te wonen. Te wonen ja, niet slechts te logeren. Dat is Zijn wens. Wat een wonder van genade, dat Hij in een mensenhart wil wonen. Een hart waar van nature geen plaats is. Daar komt toch plaats, daar maakt Hij plaats door Zijn roepstem. Zó staat het er immers: ‘indien iemand Mijn stem hoort en de deur open doet, Ik zal tot Hem inkomen’! Wie Zijn stem echt hoort, van diegene gaat het hart open. Als je de kracht en de liefde van Zijn stem geproefd hebt, kun je geen weerstand meer bieden. ‘Kom in mijn hart, Heer’ Jezus’.

En dat wordt ook het verlangen dat Hij er blijft. De profeet roept uit: ‘Waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?’ (Jer. 14:8). Maar Hij belooft, niet weer te vertrekken: ‘Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken’ (Joh. 14:23).

Ds. M. van Reenen

Geliefde, voor alle dingen wens ik dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart.
(3 Joh. vers 2)

‘Is het een jongetje of een meisje? Ach, het maakt eigenlijk ook niet uit, als het maar gezond is.’ Gezondheid is belangrijk voor ons! En economische voorspoed. Hard werken, geld verdienen – en als je ziek wordt zoeken naar de beste behandeling om toch weer beter te worden. Dan doe je het goed, toch…?

Welvaart en gezondheid – dat lijkt ook wat Johannes het belangrijkst vindt. Immers, hij wenst dit zijn lezers toe ‘voor alle dingen’. Maar vreemd, dat hij in de rest van de brief geen adviezen geeft over een goede baan, gezond voedsel of iets dergelijks. Het gaat hem verder in alles om een geestelijke houding in de gemeente. Dus om geestelijke gezondheid en geestelijke welvaart. Als hij hier dan zegt: ‘voor alle dingen wens ik…’ dan bedoelt hij, dat hij dit vooraf wil benoemen om het niet te vergeten. Dus wel als eerste, niet als belangrijkste. Het belangrijkste is voor hem de ziel.

Dáárvoor heeft hij in zeker opzicht niets meer te wensen. Met de ziel gaat het al goed! Daar hoeft Johannes niet eens naar te vragen. Dat is opmerkelijk. Als wij iemand ontmoeten vragen we vaak: ‘Hoe gaat het met je?’ Je weet immers maar nooit. Misschien draagt de ander wel een onzichtbare ziekte bij zich of een stil verdriet. En daarom die vraag: ‘Gaat het echt goed met je?’

Bij het zielenleven geldt dat nog veel meer, zou je zeggen. Hoe het met je ziel gaat, dat is verborgen. Zelfs voor jezelf toch wel eens: wie peilt zijn eigen hart nu echt? En dat van een ander nog minder. Wie zijn wij om te kunnen beoordelen of iemand een levend kind van God is, het waarachtige geloof kent, naar de hemel gaat?

Dat is waar, en toch ook niet. Mensen die menen dat het geloof onzichtbaar is en dat je er bij een ander maar het beste van moet denken, worden door Jakobus terechtgewezen (Jakobus 2:18). Ook Johannes vindt duidelijk niet, dat het echte geestelijke leven onzichtbaar kan blijven. Hij wéét van de ouderling aan wie hij schrijft dat zijn ‘ziel welvaart’. Hij hoeft het niet eens te vragen. Hoe kan dat?

Wel, dat is hem gebleken uit getuigenissen. Johannes hoort zulke goede verhalen over hem! Hij hoort van bezoekers over waarheid, trouw en liefde (vers 4-6). Allen getuigden ervan dat hij leefde voor God en zijn naaste. En dat betekent dus ook: dat hij niet meer leefde voor zichzelf. Deze ouderling kende de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe. Het leven met de Heere kent wel een ‘verborgen omgang’ maar blijft niet verborgen.

Wij moeten maar niet roemen in onszelf, maar toch wel de vraag stellen of anderen zo’n goed getuigenis van ons zouden kunnen geven. Vaart uw ziel wel? Dat is de belangrijkste vraag van ons leven. Een gezonde ziel betekent leven, een zieke ziel betekent de dood. Ziel verloren is al verloren, maar ziel behouden is al behouden!

Maar… hoe weet Johannes dat het nú goed gaat met degene aan wie hij schrijft? Zou die intussen niet zijn gaan kwijnen? Ja, in het lichamelijke kan dat zo zijn: vandaag gezond, morgen bij de dokter, volgende week in het graf. Zou het zo ook niet kunnen gaan met onze geestelijke gezondheid? Jawel…! Als het aan ons ligt zullen we onze gezondheid zeker verliezen. Wat je vandaag ontving ben je morgen kwijt, wat je vandaag leerde ben je morgen vergeten, wat je vandaag aan goeds deed maak je door de zonde van morgen weer ongedaan. Maar…!

Hier komen we bij het diepste geheim van het zielenleven. Dat is niet uit de mensen maar uit God. God is het Die aan de ziel het leven geeft, Hij is het ook Die het bewaart. Zoals Paulus schrijft: ‘Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus’ (Filipp. 1:6). Wat een zegen dan om jezelf kwijt te raken, om niet langer zélf te willen weten wat goed voor je is. Zodat van je gezegd kan worden: ‘Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God’ (Kol. 3:3).

Dan gaat het geestelijk goed, en ja, dan kun je ook hopen op lichamelijk welzijn. Want ook het lichaam is van God en gezondheid is Zijn gave. Maar als Hij je ziel gezond maakt, ga je anders denken over gezondheid. Dan wordt je eigen welzijn niet meer zo belangrijk, wel dat van anderen. Dat zien we aan de wens van Johannes, dat zien we ook aan het leven van de ouderling aan wie hij schrijft. Hij heeft alles gedaan wat hij kon om het ‘de broederen en de vreemdelingen’ naar de zin te maken. Niet zozeer met uitwendige gaven trouwens, maar met hartelijke gastvrijheid.

Zo hoop ik dat we betrokken mogen zijn op elkaars welzijn. In het tijdelijke leven, maar veel meer in het geestelijke. Om de tekst maar aan te passen en toe te passen: ‘Geliefden, voor alle dingen wens ik dat uw ziel welvaart’, en ik bid of de Heere ons hiervoor wil gebruiken.

Ds. M. van Reenen

De God nu des vredes, Die de grote Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is door Jezus Christus, Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
(Hebreën 13: 20 en 21)

De apostel is aan het einde van zijn brief gekomen. Tijd voor een zegenwens. Hij wijst daarin van zichzelf af naar God. Dat is maar het beste ook want wij kunnen elkaar geen zegen geven. De God des vredes geeft datgene dat wij alleen kunnen toewensen. Dat is om te beginnen vrede met God. Die vrede wordt ons in het Evangelie verkondigd en daarin ook metterdaad medegedeeld. Wij ontvangen die namelijk door het gehoor van de vredeboodschap en door de inwerking van Gods Geest. Het staat alleen dan goed met ons als wij die vrede met God hebben leren kennen. Hebt u vrede met de God des vredes en van de God des vredes?

Dan is Christus zeker voor u geen onbekende meer. De God des vredes heeft namelijk Hem uit de doden wedergebracht. Daarin ligt de vrede verankerd. Hij wordt hier genoemd de grote Herder der schapen. Dus wordt Hij duidelijk onderscheiden van alle andere herders. Hij is de Herder die met Zijn bloed het eeuwige testament heeft bevestigd. Door de opstanding uit de doden is dat testament van Godswege rechtsgeldig en onherroepelijk geworden. Alle schapen die Hem toebehoren hebben nu aandeel in dit testament, dat nooit meer vervallen kan. Al die schapen horen en herkennen Zijn stem. Daaraan kunt u weten of ook u/jij in dat eeuwige testament staat. Dan kan het niet meer stuk!

Nu zegt de apostel dat God, Die dat in Christus tot stand heeft gebracht, hen ook volmaken zal. Ja, er is bij al Zijn schapen nog genoeg wat ontbreekt. Het testament ligt er door Zijn bloed en opstanding volmaakt bij. Daar hoeft niets meer aan toe te worden gedaan. Maar de uitwerking ervan bij de schapen is nog lang niet af. Alleen hij die volmaakt is, hoeft niet meer volmaakt te worden. Daar horen wij dus niet bij. Vandaar de bede dat de God, Die door Jezus Christus vrede gaf nu ook Zijn werk voleinden zal. Hij kan en wil u toerusten in alle goed werk. Het zal namelijk uit de handel en wandel moeten blijken of wij waarlijk eigendom van die grote Herder der schapen zijn en werkelijk met God verzoend. Het komt niet aan op verhaaltjes en praatjes maar het gaat om de praktijk der godzaligheid. Daaruit zal blijken of wij een ware christen zijn of niet. Daarom staat er ook dat het gaat om gehoorzaamheid. Het is een kwestie van Zijn wil doen. Niet meer jouw eigen wil en zin, maar de wil des Heeren en dat van harte.

Wij moeten echter niet denken dat gehoorzaamheid een soort tegenprestatie van ons is in ruil voor de ontvangen genade. Het is niet een achterafbetaling voor het verkregen aandeel in het testament. Nee, de heiligmaking is niet ons, maar Christus’ werk. De God des vredes bereidt je er toe en volbrengt dat in je. Hij leert je Zelf Zijn wil te doen. Ook dat heeft Christus door Zijn bloed voor de schapen verworven. Er staat nadrukkelijk dat de God des vredes Zelf in ons werkt datgene wat Hem welbehagelijk en dus aangenaam is.

Waar wij verzoening met God hebben gevonden, daar zal de Heere het ook voleindigen in het leven naar Zijn wil. En alle goed werk dat daardoor tevoorschijn komt, kan alleen maar Hem behagelijk zijn door Jezus Christus. Het is namelijk door ons zondige vlees nog altijd met zonde bevlekt en daarom moet het bloed van Christus er over heen gaan om het voor God heilig, welbehagelijk en onberispelijk te maken. Ook als de Heere het goede in ons werkt blijven wij zonder Christus nergens.

Altijd zijn en blijven wij op Hem aangewezen. Daarom eindigt de apostel met de lofprijzing op Hem. Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid, tot in de eeuwen der eeuwen. Dat zal waar en zeker zijn. Daar eindigen ook wij mee. Christus alleen de eer, ook van mijn ambtsbediening onder u. En van alles wat die in het leven van deze en gene onder u heeft uitgewerkt. Amen.

Ds. J.L. Schreuders

“En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! Toen raakte Hij hun ogen aan zeggende: U geschiede naar uw geloof”.
(Mattheüs 9:28 en 29)

Ook dit teken is geschied in Kapernaum. Daar had Jezus tijdelijk Zijn intrek genomen in een huis, misschien wel in het huis van Petrus. Onderweg daarheen waren twee blinden Hem gaan volgen. Wij lezen over hen in de andere evangeliën niet, maar de kort tevoren (het staat in hetzelfde hoofdstuk!) geroepen tollenaar Mattheus heeft het opgemerkt. Zij riepen al terwijl Jezus door het dorp ging: Zone Davids, ontferm U onzer. Het is een krachtige belijdenis, die nog niet eerder iemand had afgelegd. Wel had de duivel Hem al eerder als de Zone Gods erkend. Maar die merkte Zijn kracht op waar hij niet tegenop gewassen was. Nu komt de belijdenis van de kant van twee mensen, die Jezus nodig hebben gekregen. Zij zeggen dat Hij de beloofde Messias is. De gezalfde Koning, Die duizend jaar geleden al aan David was toegezegd. Vlees en bloed kan hen dat niet hebben geopenbaard. Dit moeten zij van de Vader, Die in de hemelen is geopenbaard, hebben geleerd. Nee, zij zijn zo blind niet, deze blinden. Zij zien meer dan vele anderen. Hun zielenogen zijn al geopend eer die van hun hoofd geopend zijn. Zij roepen om ontferming. In de grondtekst staat dat vooraan. De woordvolgorde is daar: Ontferm U onzer, Zone Davids. Zij hebben barmhartigheid nodig. Kyrieleis.

Ziet u zichzelf ook al over de Pyramideweg gaan, als Jezus door dit Schoonoord aan het IJsselmeer zou gaan? Alleen of met zijn tweeën, roepende en zeggende! Of zou u zich daarvoor schamen? Ik zeg u: als dat zo is, dan is er geen nood. Waar echte nood is en de vaste overtuiging dat Hij de Zoon van David is, Die gekomen is en onze nood de baas kan, daar schaamt men zich niet. Hoelang de weg nog geweest is die zij af te leggen hadden, dat weten wij niet. Maar zij zijn Hem gevolgd. Zo dichtbij als maar enigszins mogelijk was. Hoort u ze roepen? Zoon van David, ontferm u over ons.

En dan is Jezus bij Zijn huis aangekomen en gaat daar binnen. En nee, zij blijven niet buiten staan. Als het om Hem te doen is, dan houd je geen halt. Wij zien dat Jezus hen pas nu aanspreekt. Onderweg heeft Hij dat blijkbaar niet gedaan. Hij laat ons wel eens vaker een poos roepen. Dat is om op de proef te stellen en om te zien of het roepen meer is dan een verdwaalde schreeuw, die spoedig over gaat. Waar je al te gauw weer zwijgen kunt, geldt hetzelfde als wat we daarnet zeiden: er is geen nood. Inmiddels heeft iedereen die erbij was, kunnen zien dat het bij deze twee mannen serieus was. Dat is ook een les voor ons. Je stopt toch niet al te snel? Niet eerder ophouden dan totdat je bij Hem bent gekomen. Zij kwamen tot Hem, zo staat er. Zij zijn Hem tot in huis gevolgd.

Merkwaardig is dat zij dan niets meer aan Jezus hoeven te vragen. De roep om ontferming had luidkeels geklonken en dat was genoeg. Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Jezus weet wat “dat“ is. Zij weten het ook. Hij vraagt hen slechts naar het geloof. En ook die vraag is haast niet meer nodig. Waar oprecht geloof is, wordt alles zo eenvoudig. Hun roepen om ontferming zei genoeg. De titel, die zij Hem gaven niet minder. Het antwoord dat zij geven is dan ook heel ongecompliceerd en heel ter zake: Ja, Heere!

En dan geschiedt het wonderteken. Hij raakt hun ogen aan. Dat deed Jezus vaak. In die aanraking zit iets van het overnemen. Hij neemt het op Zich. Zo ging het ook bij de bloedvloeiende vrouw en bij het dochtertje van Jaïrus. Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij heeft alle zonde en ellende naar Zich toegetrokken. Daarvoor is Hij naar deze aarde gekomen. Ook dit wonder is een stukje prediking. Dat zijn alle wondertekenen geweest, die Jezus deed. Hij maakt ermee duidelijk wat Hij nog altijd doen kan. Blinden geeft Hij het gezicht. Dat was bij deze blinden al gebeurd eer zij met Hem in huis waren. Maar door hun ogen aan te raken laat Hij het aan ons allen zien: Hij kan dat, nog steeds. Al ben je zo blind als een mol. ’t Is de HEERE, Wiens mededogen, blinden schenkt het liefelijk licht. Maar nu geen blinden meer. Dit weet ik, dat ik blind was en nu zie. En eens komt de dag dat niemand meer blind zal zijn: lichamelijk noch geestelijk. U geschiede naar uw geloof. Dat betekent niet omdat je geloofd hebt, maar zoals je geloofd hebt. Er is dus alle reden om Hem in geloof na te volgen, totdat je door Hem geholpen bent. Dus roepen maar en komen maar!

Ds. J.L. Schreuders

“Doch Maria bewaarde deze woorden alle te samen, overleggende die in haar hart”
Lukas 2:19

De herders hebben bij de kribbe geen stommetje gespeeld. Toen ze het teken hadden waargenomen dat hen door de engel was gegeven- dat was het liggen in de kribbe!- wisten zij het zeker dat zij het juiste Kind gevonden hadden. Het engelenwoord was door een teken bevestigd en dan is er geen twijfel meer mogelijk.

Zij hebben toen overal en grondig verhaal gedaan van hetgeen zij in de velden van Efratha over Hem hadden gehoord. Ieder die daar in de buurt was mocht het weten: u is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere in de stad Davids. Het woord van de engel ging dus via mensenmonden verder. Zo is het tot op de huidige dag. Zij, die zich in Bethlehem bevonden hebben geen engel gezien. Zij hebben het evangelie uit herdersmonden moeten horen. En dat moet je vooral niet te min vinden. Zo werkt de Heere. Geen stemmen uit de hemel, daar moet je niet op zitten wachten. Je moet acht slaan op het gepredikte woord door mensen, die de schat in aarden vaten dragen. Door de dwaasheid der prediking maakt God zalig die geloven.

Bij velen werkte dat verwondering. Dat is uiteraard wel goed. Laat het daar vooral maar mee beginnen. Als u met Kerst met verveelde oren zit te luisteren en de bekende klanken zonder belangstelling over u laat heengaan, dan zult u weinig aan het Kerstfeest over houden. Komt, verwondert u hier mensen, ziet hoe dat u God bemint! Echter, als Lukas over verwonderen spreekt- en dat doet hij in het evangelie dat hij schreef nogal eens- dan heeft het vaak de betekenis van: zich verwonderd iets afvragen. Op zich is dat dus goed, maar het is toch niet genoeg. De aandacht is wel gewekt, maar dat is nog geen geloof van het hart. Als dat er maar op volgen mag, dan is het genoeg. Je kunt dan achteraf dankbaar zijn voor de verwondering waarmee het begon. Of er onder de “allen” die in de buurt van de kribbe waren en het relaas van de herders gehoord hebben, zijn geweest bij wie de verwondering geloofsverwondering is geworden, dat weten wij niet. Natuurlijk hopen wij dat van harte en er is geen reden om aan te nemen dat het bij niemand het geval was.

Wel maakt Lukas een tegenstelling: doch Maria. Bij haar ging het in elk geval verder dan bij de rest. Zij bewaarde deze woorden alle te samen. Een zelfde uitspraak komen wij in het boek Genesis tegen vanuit het leven van Jakob. Als Jozef zijn dromen vertelt over de schoven, die zich voor hem buigen zullen en de zon, maan en sterren die hetzelfde zullen doen, dan bestraft zijn vader hem weliswaar, maar toch bewaarde Jakob de woorden van Jozef in zijn hart. En vele jaren later heeft hij er de uitkomst van gezien. De dromen waren geen bedrog. Jakob en zijn zonen bogen zich allen voor de onderkoning van Egypte.

Gods woorden moeten bijeen bewaard worden en dat moet zijn in het hart. Verwondering ebt soms weer weg. Hoe vaak gebeurt het niet dat zij even snel is vergeten als dat zij is opgekomen. Waar het Woord in het hart wordt bewaard, daar wordt het bewaard zoals juwelen. Kostbare dingen moeten goed bewaard blijven. Je legt ze niet open en bloot zichtbaar in de vensterbank. Je doet ze bij elkaar op een geheime plek, waar mensen met verkeerde bedoelingen niet licht bij kunnen komen. Maak van je hart een schatkamer. Daar kan niemand bij. Laat de dieven maar komen. Niemand kan wegnemen wat God in mijn hart heeft gelegd. Alleen God kan erbij. Anders niemand!

Maria deed dat ook nog eens met beleid. Zij kiepte de juwelen niet zomaar in een kist, zodat alles door elkaar heen lag en er geen enkel overzicht meer was. Nee, zij legde die juwelen bijeen die bij elkaar hoorden en zij sorteerde ze op soort. Er staat namelijk dat zij ze overlegde in haar hart. Zij vergeleek hetgeen zij van de herders hoorde met wat zij zelf eerder van Gabriel en van Elizabeth gehoord had. Zij bracht het ene wat zij gehoord had in verband met het andere. Stellig betrok zij ook daarbij hetgeen zij wist vanuit het oude profetische Woord. Al vergelijkend en overwegend wist zij de woorden bij elkaar te brengen en tot een geheel te smeden. Het ene viel met het andere samen en zo viel het op zijn plaats. Zulk werk moet je in de schatkamer doen en dus in je hart. Om het dan vervolgens daar op te bergen.

Zult ook u/jij zo in de kerk zitten op de vierde adventszondag, op Eerste en Tweede Kerstdag, op de zondag daarna, op dankdag, oud en nieuw en op de zondagen van het nieuwe jaar? Wat zit er eigenlijk in dat hart van je? Laat toch door Woord en Geest de vuile troep eruit gooien. In een schatkamer behoren juwelen bewaard te worden, geen vuilnis. Laat het bij verwondering beginnen, maar dan moet ook volgen wat Maria deed. Breng het samen en berg het op. In het hart!

Ds. J.L. Schreuders

“Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden”.
(Jesaja 51:11)

Jesaja leefde meer dan een eeuw voor het begin van de ballingschap, die zeventig jaren zou duren. In de moderne bijbelwetenschap is het mode geworden om te zeggen: en dus kan Jesaja zeker niet over de verlossing uit Babel hebben gesproken. Die zou dus bijna nog twee eeuwen duren en dus heeft Jesaja er niets van meegemaakt. Dat laatste is zeker waar. Maar het is zeker zo, dat de Geest van God het hem over de eeuwen heen kan hebben laten zien. Zelfs Mozes heeft in het boek Deuteronomium over de wegvoering en terugkomst gesproken en dat was nog vele eeuwen eerder.

Onze tekst is een van de vele bewijzen dat er geen twee Jesaja’s zijn geweest nl. een van hoofdstuk 1-39  uit de tijd van Hizkia en een van hoofdstuk 40 en volgende, die na de ballingschap zou hebben geleefd. Onze tekst komt namelijk haast woordelijk overeen met Jesaja 35:10. Een en dezelfde Jesaja ziet in beide gedeelten het heil van de toekomst, dat eerst in de verlossing uit Babel, daarna in Christus en ten laatste bij de voleinding der wereld tot stand zal komen. De profeet kan in dit gedeelte bijna geen woorden genoeg vinden om het ongetrooste volk van God te bemoedigen. Het hele gedeelte is dan ook hoog van toon. Hij geeft hoog op van de Heere. Van Hem verwacht hij grote dingen. In de verzen hier vlak voor refereert hij aan de verlossing uit Egypte, hier Rahab genoemd. God was het Die de zeedraak (Egypte, Farao) vernietigde. Hij roept de Heere op om nu hetzelfde te doen als toen. Waak op, ontwaak, trek sterkte aan, Gij, arm des Heeren! Gij hebt immers een weg gemaakt waar geen weg was, door de diepten van de zee. De verlosten gingen er door. Zijn gelosten, staat er eigenlijk.

Zal het dan nu niet precies zo kunnen geschieden? Is God veranderd, is Zijn arm verkort geworden? Geen sprake van! Ook nu zullen de vrijgekochten wederkeren. Daar staat een iets ander woord in de grondtaal dan het woord gelosten. Maar wel worden dezelfde mensen bedoeld. Zij, die een Losser hebben, Die hen vrijmaakt van Babel zoals eertijds van Egypte. Zij keren terug en komen in Sion. Wie klimt de berg des HEEREN op, wie zal die Godgewijde top voor ’t oog van Sions God betreden? Juist, dat zijn zij die de Heere vrijkoopt door het losgeld van Christus’ ziel , van Christus’ bloed. Een losprijs voor velen.

Beste lezer, ben jij al losgekocht en weet je daarvan? Dan is er in elk geval nog Iemand, Die er weet van heeft. Dan weten Christus ervan en Zijn Vader. Je hebt dan met Ruth gezegd: Gij zijt de Losser. Je hebt jezelf zoals zij aan Zijn voeteneinde gelegd op de dorsvloer. Zij zei: Spreid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd. En Boaz deed het. Die man rustte niet tot hij de gehele zaak ten einde had gebracht. Christus zal voor Boaz niet onderdoen. Denk dat maar niet. De Heere lost en koopt vrij, die om niet verkocht zijn. Zij zullen ook zonder geld gelost worden (Jes. 52:3). In die tekst staat in onze vertaling wel: gelost. Terecht! Christus is de grote Losser in de naam des Vaders. Weet Hij van u af omdat u bij Hem kwam en lossing bij Hem zocht? Dan ben je zeker een geloste en vrijgekochte.

Dan is er ook een grote toekomst voor je. Eeuwige blijdschap zal op je hoofd wezen. Vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen. Volgens mij is ook de vertaling mogelijk: vreugde en blijdschap zullen hen aangrijpen. Dat lijkt mij ook iets meer passen in het verband. Jij pakt de vreugde niet maar die pakt jou. Zij komen over je, op je hoofd. Zij zullen je bevangen, dat is misschien wel de mooiste weergave. Treuring en zuchting moeten daarentegen wijken. Waar Christus lost daar wordt de zondensmart verdreven. Daar komt zoals elders staat vreugde olie voor (in plaats van) treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwde geest. Je raakt dat nare kwijt en je krijgt er veel beters voor terug. Je doet een goed ruil.

Voor wie is dat? Nou, het staat er toch: voor de vrijgekochten des Heeren! Zorg dat je daar bij bent! Want zij, die door het bloed van Christus van de aarde gekocht zijn, die beërven Gods koninkrijk in volle heerlijkheid.

Ds. J.L. Schreuders

 

Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen is, dat voleindigen zal tot op de dag van de Heere Jezus Christus
(Filippenzen 1:6)

Paulus zat in de gevangenis toen hij deze dingen schreef. Waar hij precies gevangen heeft gezeten dat weten wij niet. Het zou in Rome kunnen zijn, maar geheel zeker is dat niet. De gemeente van Filippi was door zijn arbeid ontstaan en wel op de tweede zendingsreis. Lydia en de gevangenbewaarder waren de eerste leden ervan geworden. Na Paulus’ vertrek is de gemeente blijkbaar niet alleen blijven bestaan maar ook verder gegroeid. Er is nu een gevestigd kerkelijk leven. Dat blijkt uit het feit dat er zowel opzieners als diakenen zijn. Zij worden in vers 1 samen met al de heiligen door Paulus gegroet.

Als de apostel aan hen denkt, dan vervult blijdschap zijn hart. Hij dankt en bidt God voor hen. Hij weet van hun gemeenschap met het evangelie. Hoe het begon en hoe het nu nog steeds is. Epafroditus, die hem namens de Filippensen een bijdrage gebracht had in de stoffelijke nood die Paulus had, zal het hem hebben verteld. Zij waren trouw gebleven aan het zuivere evangelie. Zij waren er hartelijk aan verbonden. Paulus mag het voor zeker houden- het is recht dat ik dit van u gevoel, zo zegt hij in vers 7- dat God een goed werk in hen begonnen is. Dat zegt hij zonder hun harten te kennen, want die kent God alleen. Hij spreekt naar het oordeel van de liefde en zo behoort dat ook. Wel zijn er ook de blijken ervan: zij leefden in woord en daad met hem mee terwijl hij gevangen zat. Dat waren echt blijken van het ware geloof en van liefde tot het Woord dat Paulus verkondigde. Er was dus geen enkele reden eraan te twijfelen of God was in hen Zijn goede werk aangevangen. Als er geen reden tot twijfel daaromtrent is, dan moet je dat vooral niet doen.

En dan spreekt Paulus tot hun bemoediging zijn vertrouwen uit. Het is geen vertrouwen in de Filippenzen. Zo van: jullie zijn allemaal zulke trouwe christenen, dus steek ik mijn handen ervoor in het vuur dat het met jullie allemaal wel goed zal komen. Vertrouwen op mensen moet je nooit stellen. Mensen kunnen alleen maar tegenvallen. Dat zie je wel aan Demas, die een naaste metgezel van Paulus is geweest. Hij kreeg uiteindelijk de wereld lief en verliet de apostel. Je denkt soms heel wat van iemand, maar als alle franje eraf valt, dan blijft er soms een lege doos over.

Paulus vertrouwt dan ook niet dat de Filippensen o zo gelovig zullen blijven omdat hij iets van hun goedheid verwacht. Hij vertrouwt op God!! Hij is een goed werk begonnen. Een goed geestelijk werk van geloof en bekering. Geloof is Gods werk. Hij begint het. Hij houdt het in stand en Hij vermeerdert het. Hij zal het ook eenmaal voleindigen tot op de dag van Christus. Daarmee is gewoonlijk de dag van de wederkomst bedoeld. Paulus hield er rekening mee dat hij die dag nog zou meemaken. Misschien mag je het met de kanttekening van de Statenbijbel ook zo opvatten: de dag waarop de Heere Jezus je uit dit leven tot Zich neemt. In elk geval: Hij maakt het af. Als het een goed werk is, dat Hij begon, dan kan het niet ophouden of verloren gaan. Wij beginnen er iedere kerkdienst mee: Die niet zal laten varen de werken Zijner handen. De volharding van het geloof is Gods werk in ons. Hij zal Zijn werk voor mij volenden (Psalm 138). God, die het aan mij voleinden zal (Psalm 57:3).

Dat is een geweldige troost. Zo zal het voor de Filippenzen geweest zijn. Zo mag het voor ieder zijn, die weet mag hebben van dat goede werk dat God in hem begonnen is. Niemand zal je dan nog rukken uit de handen van de Herder. Natuurlijk kan dat mooie blinkende goud ook misbruikt worden. Dat doet ieder die zich met schijngeloof op de been houdt. Hij vertrouwt er blindelings op dat het goed zal komen. Maar God is nooit iets in hem begonnen en dus maakt Hij niets af ook. Hij maakt niet jouw werk maar Zijn werk af. Als God van jouw geloof en van je bekering geen weet heeft, dan is het jouw inbeelding en dat gaat beslist over. Je moet dan maar niet rusten totdat je het ware geloof bezit in plaats van schijngeloof. Bekeer je van het zelfbedrog!

Ook kun je het misbruiken door er een hoofdkussen van te maken waarop je gaat luieren. Ziezo, het kan toch niet meer stuk. Het maakt nu niet meer uit, want God zal er hoe dan ook wel voor zorgen dat het voleindigd wordt. Weet u, dat is nu juist het bewijs ervan dat je geloof schijngeloof is. Het goede werk van God leidt niet tot vadsigheid. Het echte geloof bidt voortdurend: Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden. Als je weten mag dat het van de Heere is, dan mag je ook biddend en smekend weten en vertrouwen dat Hij er niet van af kan. En je mag dat ook vertrouwen van anderen in wie je hetzelfde werk van God openbaar ziet komen. God is getrouw. Je bidt ook om volharding. Je blijft dicht bij Hem. Je zoekt Hem zo min als mogelijk is te bedroeven. Wat een onuitsprekelijke vreugde geeft dan dat vertrouwen op de Heere. Het is immers Uw goede werk. Mijn geloof en mijn bekering zijn van U. De vruchten die ervan openbaar komen, zijn van U. Alles is van U en van mij is er niets bij. Daarom zult u er ook dwars door alles heen voor instaan.  U zult het voleindigen tot op de dag van Christus.

En als je soms nog twijfelt of het wel echt Gods werk is en dat Hij het Zelf in je begon? Ja, dat kan inderdaad aangevochten worden. Als je de kenmerken van het geestelijk geloof bij jezelf nagaat en je bij alles een onvoldoende hebt. Werp je dan toch op Christus, want dat is het beste kenmerk van Gods goede werk, dat er is. Dat je Hem niet missen kunt. Dan trekt God Zijn handen nooit meer van je af. Zeker weten.

Ds. J.L. Schreuders