“Maar één ding is nodig…”
Lukas 10:42

Een jaarwisseling gaat niet alleen om feestelijkheden en tradities. Het is ook (vooral) tijd van be­zin­ning. We kijken terug. Als gemeen­te denken we zéker terug aan hen die ons ontvallen zijn, en we voelen weer het gemis. We denken terug aan ziekte en tegenslag, aan voorspoed en verandering.

Zal dan het nieuwe jaar anders zijn? Zal het ons nog meer verdriet en verlies geven, of zal het juist een jaar zijn van voorspoed? Soms kij­ken we nóg verder vooruit. ‘Waar staat Urk over 20 jaar?’ vroeg de jour­nalist aan de wethouder. Die gaf een antwoord alsof hij in de toe­komst kon kijken. Maar ‘wij zijn van gisteren en weten niets’.

Er is ech­ter iets wat we wel kunnen we­ten. Dat is waar het in het leven om gaat. Als we vooruit kijken, moeten we ons vooral ook de vraag stellen wat ons doel is. Waar leven we voor, waar gaat het om bij onze plannen? De Heere Jezus is daarin ontzettend duidelijk: ‘Eén ding is nodig!’ Dat is Zijn vermaning richting Martha. Zij maakte zich druk om véle dingen, maar de Heere Jezus zegt dat er maar één ding nodig is.

Op welk ene ding doelt Hij dan? We kunnen dat afleiden uit het woordje ‘nodig’. Dat woordje gebruikt Hij ook in Luk. 9:31 en Luk. 15:7. Daar gaat het over mensen die iets niet nodig hebben: ze zijn niet ziek dus hebben geen dokter nodig of zijn rechtvaardig dus hebben geen bekering nodig.

Is bekering voor hen echt niet no­dig? Jawel, maar zo voelen zij het niet. Hebben ze dan helemaal niet het gevoel dat er wat gebeuren moet? Jawel, maar dat is niet drin­gend. Het hoeft niet zo grondig, het kan nog wel wachten. U herkent het wel: ‘Man, zou je niet eens naar de dok­ter gaan?’ ‘Misschien wel eens, maar ik kijk het eerst nog maar even aan hoor!’ Als Jezus zegt, dat som­migen het niet nodig hebben, dan bedoelt Hij dus: ze vinden dat het zo nog wel gaat…

En andersom, als Hij zegt dat iets nodig is, dan bedoelt Hij dat je niet zonder kunt. Een zondaar kan niet zonder bekering, een zieke kan niet zonder dokter. Als je aan zo iemand vraagt: ‘Zouden we niet eerst wat anders doen, het zou goed voor je zijn om eens ergens anders aan te denken?’ dan is dat onmogelijk. ‘Nee, ik heb maar één ding nodig, ik móét van mijn zonden afkomen!’ zegt de zondaar. ‘Nee, ik heb maar één ding nodig, ik moet naar de dokter!’ zegt de zieke. Heeft hij dan geen kleding nodig, geen drinken, geen woning? Jawel, maar één ding moet eerst opgelost worden.

En dat is hoe de Heere Jezus het hier zegt. Eén ding heeft echt prioriteit, één ding kun je absoluut niet missen. En dat ene kun je alleen bij Jezus vinden. Immers, van Maria staat er dat zij het goede deel heeft uitgekozen, en waar was zij te vinden? Aan Jezus’ voeten!

Nu staat er een nieuw jaar voor de deur. Uiteraard, niet alleen op 1 januari moet u daar aan denken, maar dan zéker: één ding is nodig, en voor dat ene moet ik bij de Heere Jezus zijn! Ik moet het jaar bij Hem beginnen, en anders is al het andere nutteloos. Zoals het lekkerste eten nutteloos is voor een ernstig zieke die vreest dat er geen hulp meer voor hem is.

Maar precies daar zat het probleem van Martha. O ja, zij wilde ook wel bij de Heere Jezus zijn, maar éérst moest er nog zo veel gebeuren. Zij verontrustte zich daarover, alsof die dingen onmisbaar waren. En wat zijn wij vaak druk met allerlei zaken, terwijl we de Heere Jezus naar achteren schuiven. Die ‘vele dingen’ zijn lang niet altijd onzin, maar ze hebben pas zin als we eerst bij de Heere Jezus geweest zijn, zoals een zieke eerst naar de dokter moet.

Daarom moeten we soms simpelweg stoppen met die ‘vele dingen’. Loslaten omdat het ons in de weg zit. En dan in elk geval luisteren naar de vermaning van de Heere Jezus: ‘Eén ding is nodig’, en dat ene ding is iets dat we slechts uit Hem kunnen ontvangen, in de weg van het Woord, door de kracht van de Heilige Geest.

Dus is het belangrijk om aan het begin van de dag ‘stille tijd’ te nemen, en aan het begin van het jaar naar de kerk te gaan. Daarmee laat je zien, dat vóór alle andere dingen je ziel aandacht nodig heeft, daarna komt de rest.

Maar uitwendig bezig zijn met het Woord is niet genoeg. De Heere wil dat Zijn vermaning doorklinkt tot in onze ziel, en dat Hem minstens zo nodig hebben als een ernstig zieke man zijn dokter. We hebben bekering nodig voor onze ziel.

Het is alleen meer dan de dokter. De dokter kun je vergeten als je eenmaal genezen bent, maar de Heere Jezus niet. Hem heb je altijd nodig. En in Hem is altijd de hoogste vreugde gelegen. ‘Eén ding heb ik van de HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN!’ Gaat u zo 2024 in? Als dat nu nog niet zo ligt, dan hebt u het des te meer nodig!

M. van Reenen V.D.m.

“Martha, Martha, gij bekommert en verontrust u over vele dingen…”
Lukas 10:4

Als we altijd druk zijn, zitten we er naast. Immers, de Heere Jezus zegt: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.’ Rust is iets anders dan haast en drukte. Waar gaat het dan mis?

Dat heeft iets te maken met onze tijd, die bijzonder haastig is. Maar het heeft ook iets te maken met ons hart. Immers, in de tijd van Martha bestonden er nog geen media en overvolle winkels, en toch was zij ook zo gejaagd. De Heere Jezus vertelt haar hier, wat het probleem is.

Daarom spreekt Hij haar indringend persoonlijk aan: ‘Martha, Martha…’ En doet Hij het zo niet ook naar een ieder van ons? Als Hij Zijn woord laat horen, dan bedoelt Hij nadrukkelijk ons. Hij roept ons bij onze naam, Hij kijkt ons in het hart: ‘O mens, mens!’ Daarin vraagt Hij om onze aandacht en daarin toont Hij Zijn liefde. Hij laat ons zomaar onze dwaze gang gaan!

Wat is er met Martha aan de hand? Aan de buitenkant was al zichtbaar, dat ze nog maar aan één ding kon denken, daarover hebben we het reeds gehad bij de woorden ‘Martha was zeer bezig’. Dat is waarschijnlijk alles wat de discipelen gezien hebben, en zij hebben daarom nog wel bewondering voor deze vrouw gehad. Maar Jezus kijkt er áchter. ‘Gij bekommert u’, zegt Hij.

Deze woorden gaan over haar (en ons) hart. Elders wordt hetzelfde woord vertaald met ‘bezorgd zijn’. Twee hoofdstukken verder (Lukas 12:22) zegt Jezus: ‘Zijt niet be­zorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waar­mee gij u kleden zult.’ En Paulus schrijft: ‘Weest in geen ding be­zorgd’  (Filipp. 4:6). Daarmee wordt niet bedoeld dat je nergens voor zorgen mag (Luk. 14:28). Maar het goede zorgen gaat alleen over dat stuk waar wij zelf verantwoordelijk zijn. Bezorgdheid betekent, dat je ook datgene in de hand hebt waar Gód verantwoordelijk voor is.

Alsof zonder onze inzet wij morgen geen kleding hebben (Luk. 12:22).

Alsof wij zonder onze slimheid monddood zullen zijn (Luk. 12:11).

Alsof wij met onze zorg de wereld moeten redden.

Alsof wij met onze vroomheid de kerk in stand houden.

En Martha: alsof zonder haar ijver alles in de soep zal lopen.

Daar gaat het mis met Martha. Zij bekommert zich, zij is overbezorgd, zij denkt dat zij onmisbaar is. Als we er over nadenken, gaat het zelfs zo ver dat ze denkt dat zij Jezus in leven moet houden: ‘Als we geen eten hebben voor de Heere, hoe moet het dan verder met Hem?’ Dat heeft ze vast niet letterlijk zo gedacht, maar zo werkt het wel. Martha denkt dat Jezus afhankelijk is van haar en vergeet dat zij afhankelijk is van Jezus.

Herkenbaar? We zien de wereld om ons heen in crisis­stand. De bestrijding van corona hing af van onze maat­rege­len, Israëls lot hangt af van het leger, de redding van het klimaat hangt af van onze acties, de redding van Nederland hangt af van wie er nu premier wordt, de redding van de kerk hangt af van onze trouw en vasthoudendheid.

En persoonlijk. Natuurlijk zijn we vaak druk met onbelangrijke dingen. Daarover zullen we het nog wel hebben bij het woord ‘gij verontrust u’. Maar we zijn ook bekommerd over dingen die op zich wel waarde hebben. Hoe houd ik mijn gezin overeind, hoe red ik het op mijn werk, hoe zorg ik voor genoeg geld voor iedere maand, hoe houd ik mijn bedrijf in stand. ‘Gij bekommert u…!’

‘Maar wie van u kan, door bezorgd te zijn, één el tot zijn lengte toe doen?’ God vraagt wel om onze bezig­heid maar niet om onze bezorgdheid! Die betekent namelijk altijd overschatting van onszelf en onderschatting van God.

‘Aanmerkt de vogelen des hemels’ zegt de Heere Jezus daarom. Doen zij niets? Jawel, zij moeten ook hun kostje bij elkaar scharrelen. Maar zij maken zich niet bezorgd, zij leven uit de hand van God. En als die God Die voor de vogels alleen een Schepper is nu voor u een Vader is, hebt u dan geen reden om het aan Hem over te laten om uw leven in stand te houden?

Of… mankeert het daaraan? Moet u eerlijk bekennen dat u God niet als uw Vader kent? Dan is het helemaal logisch dat u (over)bezorgd bent. ‘Zonder God en zonder hoop in de wereld’ – dan moet je het dus zelf redden. Maar zo leeft niet alleen de wereld, zo leven ook kerkmensen. Geen echt vertrouwen in de Vader. Waarom niet? Omdat er geen echt vertrouwen is in de Zoon. Daar begint het toch: bij de Zoon die vrijmaakt van de diepste nood. Als je je zonden aan Hem kwijt kunt, dan kun je alles aan Hem kwijt. Als Hij u wil redden van de eeuwige dood, dan wil Hij ook zorgen voor uw dagelijks leven. Dus zoek deze God als Vader te kennen! En besef dan ook wat het betekent, dat Hij een echte Vader is. ‘Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.’

M. van Reenen V.D.m.

En Jezus zeide tot haar: ‘Martha, Martha…’

Lukas 10:41

Martha voelde zich alleen staan. Ze liep zich het vuur uit de sloffen om te zorgen voor een goede ontvangst van Jezus en Zijn discipelen, maar Maria stak geen vinger uit. Vol verwijt richtte ze zich daarom tot de Heere Jezus.

Ze zei het niet tegen Maria zelf. Wel praten óver maar niet praten mét, daar zijn we goed in… Maar Maria heeft het natuurlijk wel gehoord. Je kunt je voorstellen dat ze opspringt: ‘Meester, dit is niet eerlijk van Martha…!’ Maar ze zegt niets, ze zwijgt.

Nu is Maria altijd erg zwijgzaam. Slechts één keer horen we iets uit haar eigen mond. Geen groot prater is ze, en waarschijnlijk geen grote geest. Maar als ze gewild had, had ze best met een paar woorden zichzelf kunnen verdedigen. Maar net als later tegenover Judas (Joh. 12:5-7) doet ze het niet. Ze zwijgt. En door te zwijgen zegt ze nog meer dan wanneer ze gesproken had.

Immers, als ze gesproken had, dan had ze maar één ding gedaan: zichzelf verdedigen. Of misschien ook nog wel: terugslaan. ‘Martha, zeg jij maar niks…!’ Wat zou ze daarmee gewonnen hebben? Misschien de discussie, maar niet Martha’s hart. En ook niet de vrede in haar eigen hart.

Toch doen we dat zo vaak. We worden aangevallen, we voelen ons misschien alleen maar aangevallen – en prompt schieten we in de verdediging of zelfs in de aanval. Je mag immers wel voor jezelf opkomen, je hoeft niet iedereen over je te laten lopen…?

Dat is op zich waar. In de Bijbel zien we regelmatig, dat Gods kinderen op een gelovige manier hun onschuld verdedigen. Denk aan Job, David, Paulus – en Jezus Zelf. Maar we zien net zo vaak, dat zij zwijgen. Denk aan Jozef, Mozes – en opnieuw Jezus Zelf. Hij wordt door Petrus als het Voorbeeld genoemd: ‘Die als Hij gescholden werd niet wederschold, en als Hij leed niet dreigde’ (1 Petrus 2:23).

Het vraagt geestelijke wijsheid: we­ten wanneer we spreken en wan­neer we zwijgen moeten. Die be­gint er mee, dat we zwijgen kunnen. Dat we niet onszelf ver­dedigen alsof ons leven er van afhangt.

Paulus heeft daar iets van geleerd. Hij schrijft: ‘Doch mij is voor het minst, dat ik van ulieden geoor­deeld word, of van een menselijk oor­deel’ (1 Kor. 4:3). Dat voelt vaak an­ders. ‘Wat zullen de mensen wel van me denken…?’ Wie complimen­ten krijgt groeit, wie kritiek krijgt krimpt ineen. Menselijk gezien zo begrijpelijk. (Inderdaad, daarom moeten we positief over anderen spreken.) Maar onze waarde hangt niet af van wat mensen van ons denken. ‘Wat is uw enige troost?’ ‘Dat ik niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigendom ben’!

Daarom kan Maria hier zo rustig aan de voeten van de Heere Jezus blijven zitten. Ze hoeft zichzelf niet te verdedigen tegen Martha’s woorden, want ze weet van de goedkeuring van de Heere. Zo zegt ook Paulus het: ‘Die mij oordeelt is de Heere’ (1 Kor. 4:4).

Hij is niet alleen Degene Die mij oordeelt, maar ook Degene Die de ander oordeelt. Toen de Heere Jezus vals beschuldigd werd, wat deed Hij toen? Hij verdedigde Zich niet, maar wat deed Hij wel? ‘Hij gaf het over aan Dien Die rechtvaardig oordeelt’ (1 Petr. 2:23). Hij legde alle beschuldigingen neer voor Gods rechterstoel. De hoogste Rechter weet precies wat er allemaal waar is. Als wij onschuldig zijn, dan weet Hij dat. Als wij onrecht lijden, dan weet Hij dat ook. ‘O HEER, Gij ziet het, zwijg niet stil; Uw recht beslisse mijn geschil!’

En kijk, dat gebeurt! De Heere Jezus neemt het woord. ‘Martha, Martha’. Daar neemt Hij het op voor de zwakke Maria. Zijn woord is veel sterker dan het hare. Als Hij Martha terecht wijst, dan heeft dat vermaan een kracht die Maria er nooit aan kon geven. Zij mag nu schuilen achter Zijn woorden. En Martha mag zich laten gezeggen. Zo komen de woorden veel dieper bij haar binnen dan wanneer haar zuster ze gesproken had.

Zoals voor Maria zal Hij het voor al de Zijnen opnemen. Misschien wordt Zijn stem niet zoals toen hier op aarde gehoord. Maar wel in de hemel, voor Zijn Vader en de heilige engelen (Openb. 3:5). Wel in de ziel, waar je rust mag vinden in de wetenschap: ‘De Heere weet van me af. Als anderen mij onheus bejegenen, dat zij maar zo; als er maar vrede is met Hem!’ En eenmaal zal Hij het ook definitief voor al de Zijnen opnemen wanneer Hij optreedt als Rechter. Lees daarover NGB art. 37 maar!

Het komt er dan wel op aan, dat je Hem toebehoort. Want het is ook andersom: mensen kunnen in je roemen terwijl de Heere je nooit gekend heeft. Zijn oordeel is beslissend. Zoek eerst en vooral vrede met God. Kom daarom aan Zijn voeten: ‘Stel u gerust, zwijg Gode stil’. Wie leert zwijgen voor Hem, leert zwijgen voor mensen.

M. van Reenen V.D.m.

“Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen?”
(Lukas 10:40)

Wat heeft Martha het geweldig druk! Ineens moet ze voor minstens dertien gasten zorgen. Ze vliegt van hot naar her. Dat doet ze natuurlijk met liefde, maar het gaat niet vanzelf. Dat denken de mensen wel eens: ‘Martha, dat is een harde werker, die doet niet anders. Geef haar een taak, en je weet zeker dat het snel en goed gebeurt.’ Maar al doe je iets altijd, dat betekent nog niet dat het je geen moeite kost! Je moet je ook wel eens verbijten als er wéér een taak op je bordje gelegd wordt. Natuurlijk loop je er niet voor weg. Dus als niemand anders het doet, dan doe jij het maar weer. En de volgende keer weer.

In Martha’s geval is het ook logisch. Zij heeft al jarenlang het huishouden gerund; aan Maria kun je het nooit helemaal toevertrouwen. En als Jezus en Zijn discipelen komen, natúúrlijk moet dan alles goed voor elkaar zijn, natuurlijk heeft ze zichzelf daarvoor over, natuurlijk doet ze het graag. Maar toch… als ze daar al die mensen zo ziet zitten bruist het wel vanbinnen. Ze vinden het allemaal zo gewoon dat zij het doet. Niemand geeft haar een compliment. En kijk eens, Maria heeft alle aandacht van Jezus. Het lijkt wel of de Heere Jezus niet in de gaten heeft hoe veel zij, Martha, voor Hem doet. En alsof Maria het wel best vindt zo. Natuurlijk gaat zij er niet bij zitten, het werk moet immers gebeuren! Ze doet er nog een tandje bij, ze zal zich eens bewijzen. Hopelijk ziet Jezus dan hoe veel zij voor Hem over heeft, en hopelijk staat Maria dan eindelijk eens op om ook wat te doen.

Maar als er maar steeds niets verandert, kan Martha zich niet meer inhouden. Hard is haar ver­wijt aan Maria: ‘dat zij mij alleen laat dienen.’ Ze spreekt Maria niet zelf aan. Je praat immers makke­lijker óver elkaar dan mét elkaar – zeker bij zo’n vrouw als Maria.

Elkaar verwijten maken, we herkennen het helaas maar al te goed. Waar komt het vandaan? Niet naar de ander luisteren waarom diegene iets doet (in dit geval: ‘Maria, waarom ga je eerst bij Jezus zitten?’). Gelijk invullen hoe de ander denkt (in dit geval: ‘Maria vindt het wel prima als ik het al het werk moet doen.’) En vooral: jezelf centraal stellen: menen dat jij het goed doet en vinden dat jou onrecht wordt aangedaan.

Dit is één van onze grootste valkuilen: zelfmedelijden. Klagen is iets anders dan zelfbeklag. Dan immers ben jij de meest zielige, minst begrepen, best bedoelende persoon: ‘Ze moeten altijd mij hebben, terwijl ik nog wel…’ Hoe anders was dat bij Jezus! Hij klaagde wel Zijn nood, maar stond daarin niet Zelf centraal. Hij kwam niet naar deze aarde om het goed te hebben en goed gevonden te worden, maar om te lijden en te sterven. Zelfs in Zijn diepste lijden ging het Hem nog om de eer van God en het heil van zondaren. In het zicht op Jezus ver­dwijnt niet onze klacht maar wel ons zelfbeklag. En dan dus ook on­ze harde verwijten. Wat is die­gene mild die vóór hij iets tegen een ander zegt eerst op Jezus ziet…!

Martha is dat even vergeten. O ja, ze kijkt wel naar Jezus, maar ze ziet niet op Hem. Ze kijkt niet tot Hem omhoog maar ziet ten diepste op Hem neer. Niet dat ze geen respect meer voor Hem heeft, want ze noemt Hem nog ‘Meester’, maar toch… Eigenlijk behandelt ze Hem als haar slaaf. Ze maakt Hem heftige verwijten, meent dat Hij het compleet verkeerd doet.

‘Trekt u Zich dat niet aan?’ In haar gedachten heeft Jezus niets in de gaten en trekt Hij Zich van haar niets aan. Wat een harde gedachten over haar Heere! Als Martha’s het terecht moeilijk had, dan had Jezus het al lang in de gaten gehad. Bij Hem is het niet zo dat Hij aan de één (hier: Maria) denkt en de ander (hier: Martha) vergeet. O nee, ‘Hij ziet in gunst op die Hem vrezen’. Als één van de Zijnen in nood is, dan bekommert Hij Zich daarover. Maar o, hoe vaak zien wij een nood die er ten diepste niet is en zien wij niet een God Die er wel is, zoals de discipelen op zee: ‘Meester, bekommert het U niet…?’ (Markus 4:38).

Martha verwijt Jezus dat Hij te weinig ziet en dat Hij te weinig doet. Zij had verwacht, dat Hij Maria wel zou vermanen om ook te helpen, maar dat heeft Hij niet gedaan. Jezus doet het verkeerd! Hoe vaak doet God het in onze ogen verkeerd? Wij menen wel te weten hoe Hij had moeten werken, spreken, helpen. Het liefst zouden we Hem alsnog aan het werk zetten. Maar wij zijn niet degenen die bevelen uitdelen! Gelukkig niet. Want als het er op aan komt, weten wij helemaal niet wat goed is. Hij vergist Zich niet. Als dat wel zo lijkt, dan is het geen tijd voor verwijten maar voor geduld. Voor geloof. Dat wil zeggen: een blik op Zijn hart, waardoor we zien dat er in Hem geen liefdeloosheid is. Het is nodig dat wij tot diep in ons hart leren wat het betekent om Hem ‘Meester’ te noemen: Hij regeert en bestuurt, en wij buigen voor Hem.

M. van Reenen V.D.m.

“Doch Martha was bezig met veel dienens”
(Lukas 10:4)

‘Hoe gaat het?’ ‘Ja, goed hoor, maar wel druk!’ Wie herkent het niet? Druk voor school, druk met werk, druk met vrienden. Dan eindelijk vakantie, tot rust komen… Maar voordat je tot rust bent gekomen, is de vakantie al bijna voorbij. En trouwens, in de vakantie moet je ook nog veel. Een eind weg, een vol programma. En in de weken thuis moet vader nog klussen, kinderen hebben een vakantiebaantje, moeder heeft nog achterstallig werk te doen.

‘Lezen? Daar komt ik tegenwoordig niet zo veel meer aan toe. Die eenzame opzoeken? Ja, dat moet ik nódig eens doen, maar ik zou niet weten wanneer. Zomaar even een wandeling maken? Dat klinkt als een sprookje.’ Natuurlijk is het niet altijd zo, maar bijna iedereen herkent er wel wat van. We hebben steeds meer apparaten die ons zouden moeten helpen, maar steeds minder tijd…

Maar dan troosten we ons met de gedachte, dat we toch in elk geval met nuttige dingen bezig zijn. Al is het natuurlijk de vraag, of het net zo nuttig is als bij Martha. Haar werk leverde haar immers geen geld op maar kostte haar geld; zij werkte niet voor zomaar iemand maar voor Jezus Zelf. Er was ineens zo veel te doen! Jezus was gekomen met Zijn hele groep discipelen. Dan was er nogal wat nodig. De voeten moesten gewassen worden, het eten klaargemaakt, de opperzaal op orde gebracht voor overnachting, noem maar op. Mooi toch, dat Martha zich daar zo voor in wilde zetten? Geen wonder toch, dat ze nu geen tijd had om te rusten. Nu moest er gewerkt worden, rusten kon straks nog wel!

En toch… Onze tekst begint met ‘doch’. Hoe Martha zich gedraagt staat in tegenstelling tot wat Maria doet. Voor Martha trouwens komt Maria er ongunstig vanaf, want zij doet niets. Maar Lukas laat ons horen dat zij zich vergist. ‘Doch Martha…’ Dat wil zeggen: Martha vergeet iets belangrijks.

Dat zit trouwens ook in het woordje ‘was zeer bezig’. In de grondtaal zit daar ook iets in van ‘alles om zich heen vergeten’. Ze werkte zó, dat ze alleen dat werk nog maar zag. Alles moest wijken voor dat ene: ik moet dienen, veel dienen. ‘Ja maar ik dien Jezus!’ Ja, dat lijkt zo, maar het is een vergissing. Want zelfs het ene vergeet Martha: luisteren naar Jezus. Eerst luisteren. Aan Zijn voeten zitten, belangstellen.

Maar het werk moet toch gebeuren? Het zou toch ongastvrij zijn, als Martha niet alles uit de kast zou halen voor Jezus en Zijn volgelingen? Dat is gedacht vanuit Martha. Wat zij zelf vindt, of wat zij denkt dat de mensen vinden. Het gaat er echter om wat Jezus vindt. Buren zouden misschien goedkeurend knikken: ‘Die Martha weet van wanten!’ Maar knikt Jezus ook goedkeurend?

Daar heeft Martha geen idee van. Ze is er te druk voor om zich af te vragen wat Jezus vindt. Als ze nu eens bij de deur direct die vraag gesteld zou hebben? ‘Meester, wat ben ik blij dat U er bent! Kan ik U ergens mee helpen?’ En dan niet zich omkeren en gelijk aan het werk, maar eerst wachten op Zijn antwoord. Dan zou ze vast iets anders gehoord hebben dan ze nu doet. Dan zou ze niet gestrest zijn gaan heen en weer rennen, dan zou ze zich niet geërgerd hebben aan haar zus, dan zou ze niet na een paar uur hard werken gezucht hebben: ‘Hè hè, eindelijk even rust, ik ben wel toe aan een bekkien.’

‘Zeer bezig’ – herkenbaar? Nuttige dingen, nodige dingen, waardeloze dingen ook… Hebben al die dingen Gods goedkeuring? Als we te weinig tijd hebben om te doen wat we willen doen, dan willen we te veel. De Heere immers geeft ons altijd genoeg tijd. Wat niet kan, dat leggen wij onszelf op, of dat legt de wereld of zelfs de duivel ons op. God is geen slavendrijver. Jawel, Hij vraagt wel ijver! Maar Hij geeft eerst rust. Vandaar dat de week begint met de rustdag. Daarom moeten we iedere dag beginnen met stille tijd. Dat is niet ‘gauw een stukje lezen’, maar tot stilstand komen en luisteren naar Zijn stem.

Daar gaat het allereerst om het leven van genade, het rusten in Zijn werk: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’ Vanuit onze tekst gaat het nu vooral hier om: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Onlangs hoorde ik van een predikant, die iedere dag vroeg: ‘Heere, leert u mij wat ik vandaag moet doen?’ Als hij dan aan het eind bepaalde dingen niet had kunnen doen, dan kon hij het loslaten: ‘Dat vond de Heere blijkbaar voor vandaag niet nodig.’

Dat geeft ontspanning, maar ook ontmaskering. Dan komen we er achter dat veel van onze drukte voortkomt uit een wereldsgezind hart. De verlangens die we hebben, de keuzes die we maken – ze maken ons druk. Ze zorgen er voor, dat we aan echt wezenlijke dingen niet toekomen. Ze zetten onszelf in het middelpunt. Zelfs een vakantie kan onze rust in de weg staan… Begin daarom zoals Maria: zittend aan Zijn voeten.

M. van Reenen V.D.m.

“… Maria, welke ook zittende aan de voeten van Jezus Zijn Woord hoorde.”
(Luk. 10:39)

De Heere Jezus is weer met Zijn discipelen bij Jeruzalem aangekomen, om daar één van de godsdienstige feesten te vieren. Dat is geen bezoek voor één dag, dus hebben ze een verblijfplaats nodig. In Jeruzalem is het tjokvol, dus daar valt het niet mee om met zo’n groot gezelschap ergens te verblijven. Maar door de voor­zienige hand van Zijn Vader is er een groot huis op Zijn pad gekomen: Simon ‘de melaatse’ en zijn vrouw Martha stelden hun huis voor Hem open, en altijd als Hij in de buurt van Jeruzalem is, is Hij daar welkom.

Gastvrij heet Martha het grote gezelschap welkom, natuurlijk kunnen ze hier verblijven, en Martha zal gelijk voor een goede maaltijd gaan zorgen! Wat bijzonder is dat; de schrijver, Lukas, zal nu wel eerst onze aandacht vragen voor de grote liefde van Martha, die bereid is om alles voor de Heere Jezus te doen?!

Nee, toch niet. Martha verdwijnt naar de achtergrond, en Lukas schijnt met zijn zaklamp op een ander daar in huis. Iemand die bijna altijd op de achtergrond staat. Zij stond niet bij de deur om Jezus te verwelkomen, haar lukt het niet om een grote maaltijd te organiseren. Maar dat is niet waar Lukas onze aandacht voor vraagt. Niet wat ze níét kan maar wat ze wél kan staat voorop.

Maar… ze doet toch niets…? Kijk haar daar eens zitten. Terwijl Martha het vuur uit de sloffen loopt, zit Maria maar stil. Ze doet niets, ze zegt niets – je zou bijna zeggen: ze is niets.

Dat is alleen niet waar. Ze is niets in zichzelf, dát is waar. In haar leven wordt zichtbaar wat Paulus later schrijft: ‘Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij’. Want kijk waar zij zit: aan de voeten van Jezus. Dat is een plaats vol betekenis!

Immers, om aan de voeten van de Heere Jezus te komen moet je (slechts) zakken. Daar kwamen hulp­behoevenden terecht. Aan Zijn voeten legden de mensen ‘kreupelen, blinden, stommen, lammen en vele anderen’ (Matth. 15:30). Deze mensen voelden dat zij zichzelf en elkaar niet konden helpen; Jezus alleen kon het. Aan de voeten van Christus leer je hoe onmachtig en afhankelijk je bent.

Aan de voeten van Jezus klaagden mensen hun nood. Zo kwam Jaïrus Hem smeken of Hij zijn dochtertje zou kunnen genezen (Luk. 8:41). Hier stortte hij zijn hart uit, waarbij hij alleen nog maar hopen kon op Goddelijke ontferming. ‘Zo slaan wij ’t oog op onze Heer’, tot Hij ook ons genadig zij.’

Aan de voeten van Jezus is de plaats om je dank te brengen. Zo zat daar de man die bezeten was geweest door een legioen van duivelen (Luk. 8:35). Hier zat deze man om te belijden dat hij zijn verlossing volledig aan de Heere te danken had, en dat hij nu voor altijd Hem wilde toebehoren.

Aan de voeten van Jezus is de plaats van aanbidding. Zo kwamen daar de vrouwen na de opstanding (Matth. 28:9). Zij waren zo verwonderd dat Hij was opgestaan, zij wilden zo graag laten zien hoeveel Hij hen waard was.

Aan de voeten van Jezus is ook de plaats van onderwijs; dat zet Lukas het meest op de voorgrond: ‘Zijn Woord horende’. Zoals Paulus later van zichzelf vertelt dat hij ‘aan de voeten van Gamaliël [is] onderwezen’ (Hand. 22:3).

Dit is voor de volgende keer. Nu gaat het om die plaats zelf. Wie daar zit spreekt een belijdenis uit: ‘Ik niets, U alles’. Ik heb niets, ik kan niets, ik verdien niets, ik ben niets. En daar tegenover: ‘U kunt alle dingen, U geeft alle genade, U bent al mijn liefde waard, U bent de Allerhoogste’.

Dat is iets dat we een keer moeten leren. We vragen ons wel eens af waaraan je nu echte bekering herkent. Dat is niet aan de manier waarop het gegaan is maar aan de plaats waar je gekomen bent:  is Christus alles voor u geworden? De volkomen, onmisbare Zaligmaker?

Deze les moeten we ook telkens weer leren. Kijk maar naar dit gezin. Martha heeft ook Jezus lief gekregen, maar zij draaft aan die plaats voorbij. Maria zit er, en Martha moet het opnieuw leren. Herkent u dat? Je bent weer druk met duizend dingen zodat je aan Jezus’ voeten voorbij loopt. Of je bent wat geworden met je geestelijke ervaringen, zodat Jezus’ voeten je te laag zijn. Of het geestelijk leven staat gewoon op een laag pitje, zodat je de waarde van die plaats amper meer kent.

Maar wat is het een goede plaats! ‘Zalig, zalig niets te wezen in het eigen oog voor God’. Hier hoef je niets meer te hebben, maar mag je Hem alles laten doen. Leven uit genade, leven uit Zijn kracht, leven in verwachting van wat Hij nog doen zal. ‘Opdat gij moogt weten, […] welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven (Ef. 1:18-19).

M. van Reenen V.D.m.

“Een iegelijk die leeft en in Mij gelooft zal niet sterven in der eeuwigheid.” (Johannes 11:26)

Nog een keer een uitstapje in het leven van het gezin in Bethanië, in verband met Pasen.

Na de kruisdood van de Heere Jezus zaten de discipelen met groot verdriet bij elkaar. Hun Meester was gestorven, nu was alles voorbij. Hun vreugde op aarde, hun verwachting voor eeuwig. De dood had immers gewonnen, en wie kan het dan nog van de dood winnen?

Maar wisten zij dan niet meer, dat de Heere Jezus gezegd had dat Hij zou opstaan? Wisten zij dan niet, dat Hij de dood in gegaan was juist om hen van de dood te verlossen? Blijkbaar niet. En vindt u dat vreemd? Gelooft u ieder woord van de Heere? Gelooft u werkelijk alles van Hem wat dwars tegen uw gevoel en verstand in gaat?

In het leven van Martha en Maria lag ook alles overhoop. Hun broer Lazarus was gestorven en de Heere Jezus was niet gekomen. Hij had vroeger wél Zijn grote macht en liefde laten merken; immers, Simon was van zijn melaatsheid genezen. Maar nu was dat niet gebeurd. De dood was gekomen en nu was alles voorbij.

O ja, nog steeds hadden ze wel vertrouwen in de Heere Jezus: ‘Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven’ (vers 21, 32). Ze schreven Hem niet af maar kunnen toch ook niet overzien welke hoop er nu nog is.

Jawel, Martha zag nog wel een kleine opening: ‘Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.’ Maar geloven dat Lazarus weer opstaan zal? Als Jezus wil dat het graf geopend wordt, dan is zij degene die bezwaar maakt (vers 39). Dat Lazarus weer opstaan zal, dat leek haar onmogelijk.

Vindt u dat vreemd? Nee toch? Wie wel eens bij een sterfbed gestaan heeft, weet hoe onherroepelijk de dood is. De dood sluipt naderbij, het lichaam verandert, ademhaling wordt zwakker, dan stopt het hart – en de geliefde is er niet meer. Het leven is er uit en komt er nooit meer in. O, kon het maar anders! Nog één keer een gesprek met je man, nog één keer laten zien aan je moeder hoe het nu met je kinderen gaat, nog één keer vertellen dat het je spijt van toen…

Maar het kan niet meer, en eenmaal zal dat ook voor ons gelden: ‘Wie leeft er die de slaap des doods niet eens zal slapen?’

Maar dan is daar dat woord van de Heere Jezus tegen Martha: ‘Een iegelijk die leeft en in Mij gelooft zal niet sterven in der eeuwigheid.’ Gelooft u dat? Gelooft u echt, dat de dood het nooit zal winnen bij ieder die gelooft in Christus?

Natuurlijk geloven we dat, want dat hebben we van jongs af aan geleerd en dat horen we iedere zondagmiddag: ‘Ik geloof de wederopstanding des vleses en een eeuwig leven’. Maar is dit nu een vaste zekerheid in ons hart? Dan kunnen we dat zien in ons leven. Dan bereiden we ons daarop voor. Dan hoeven we ons niet al te druk te maken over wat dit leven biedt. Dan stellen we niet ons vertrouwen op geld of gezondheid. Dan zijn we voortdurend onderweg, reizend als vreemdeling, uitziende naar dat eeuwige leven in de nabijheid van de levende God.

Maar nu leven zo velen – ook oprechte christenen – alsof toch dit leven alles is en met de dood alles voorbij. Of in elk geval: dat we van dit leven zeker zijn, en wat er komt nog maar moeten afwachten. ‘Je weet wat je hebt maar je weet niet wat je krijgt’…

Hoor dan het woord van de Heere: ‘Wie in Mij gelooft, zal niet sterven’! Ja maar… ook gelovigen moeten toch sterven, daar ontkomt toch niemand aan? Toch zegt de Heere dit: als je sterft, sterf je niet. Tenminste, als je in Hem gelooft.

Zó sterven is geen echt sterven, maar ‘een doorgang naar het eeuwige leven’. ‘Niets zal mij kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus’, zelfs de dood niet (Rom. 8). Dat is onmogelijk voor het natuurlijke oog. Het is toch niet vreemd, dat de wereld zegt ‘dood is dood’? En wij zijn daar ook mee behept: alleen geloven wat je zien en bewijzen kunt.

Daarom is de opwekking van Lazarus zo’n wonder. Nadat de Heere Jezus dit gesprek met Martha gehad heeft, gaat Hij naar het graf. Dat moet worden geopend; daarna roept Hij Lazarus naar buiten. En hoewel zijn lichaam al begon te ontbinden, staat hij toch op. Jezus’ stem is ster­ker dan de banden van de dood (Joh. 5:29).

Diezelfde kracht van Jezus is het, waardoor Hij aan het kruis de dood overwint en waardoor Hij de dood in Zijn eigen graf achterlaat. ‘Ik ben de Opstanding en het Leven!’ De opstanding van Lazarus is het eerste bewijs, Zijn eigen opstanding is het volle bewijs: de dood is overwonnen.

En daar ligt de zekerheid voor als je in Hem gelooft. Alleen dan. Buiten Jezus zal de dood het van je winnen. Dan wacht de eeuwige dood… Maar als u zich aan Hem toevertrouwt zult u leven, eeuwig.

M. van Reenen V.D.m.

“… zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis”
(Mattheüs 26:12)

We maken hier in de kerkbode, vanwege de lijdenstijd, even een sprong in de tijd. Hierna hopen we weer wat terug te gaan in het leven van Martha, Maria en Lazarus.

De Heere Jezus maakt Zijn laatste reis naar Jeruzalem. De Joodse leiders hebben het zich vast voorgenomen om nu die Jezus echt uit de weg te ruimen. En de Heere Jezus Zelf weet, dat nu Zijn tijd gekomen is. Hij is altijd al bereid geweest om Zijn leven te geven, maar telkens moest er eerst nog zo veel gebeuren; Zijn ‘ure was nog niet’. Nu echter maakt Hij welbewust Zijn laatste gang naar Jeruzalem. Nog even en Hij zal de dood in gaan om voor dode zondaren het leven te verwerven. Hij heeft Zich al die jaren op dit moment voorbereid. Wat een zegen ligt daar trouwens in: de dood overkwam Hem niet maar daarvoor kwam Hij in de wereld. Zijn hele voornemen was, om voor verzoening te zorgen en zondaren zalig te maken. Zou Hij nu van karakter veranderd zijn…?

Maar van de mensen om de Heere Jezus heen was nog niemand op Zijn dood voorbereid.
Toen Hij voor het eerst vertelde dat Hij moest gaan lijden en sterven weersprak Petrus Hem krachtig: ‘Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden’ (Matth. 16:22). De discipelen konden zich niet voorstellen, dat hun Meester zou moeten sterven. O nee, als de Messias zou Hij toch juist sterker zijn dan al Zijn vijanden?

Maar langzamerhand leerden de discipelen, dat het echt niet anders kon. Daarom zei Thomas op zeker moment, haast depressief: ‘Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven’ (Joh. 11:16). Maar na Lazarus’ opstanding vlamde nieuwe hoop in hem op: ‘Ik zal niet sterven maar leven!’ Nee, aan sterven moest hij maar niet meer denken…

Ook Judas wilde niet van sterven weten. Immers, nog steeds was hij om één reden Jezus gevolgd! Hij had veel voor Hem losgelaten, maar hij zou straks nog meer terugkrijgen (Markus 10:30). En daarom weigert Judas nog steeds te geloven dat de Heere Jezus echt op weg is naar het kruis…

Maar één gelooft het wel: Maria. Ze weet zeker dat dit de laatste keer is dat Jezus met Zijn discipelen in hun huis verblijft. Wat kan ze op dit gewichtige moment zeggen? Ze is geen vrouw van veel woorden. Maar wel van veel liefde! Het waardevolste dat ze heeft wil ze Hem geven. Een fles nardus! En voordat iemand het in de gaten heeft breekt ze de fles open en giet ze de zalf uit over Hem, van top tot teen. De Gezalfde wordt gezalfd. O ja, ze zou Hem ook kunnen balsemen als Hij gestorven is, maar liever geeft ze het Hem bij leven. Voordat Hij Zijn belangrijkste werk gaat doen moet Hij goed verzorgd worden. Zo wil ze Hem al Zijn liefde waardig schatten, wijl Hij haar rechterhand wou vatten.

Maar hoe komt het, dat Maria alleen er op voorbereid is? Zou dat niet te maken hebben met die andere keer dat Jezus bij hen in huis was? Maria zat aan Zijn voeten (Luk. 10:39). Daar hing zij aan Zijn lippen, daar zag ze Zijn liefde, daar hoorde ze Zijn doel. En terwijl Hij vertelde dat Hij sterven moest, geloofde ze dat Hij sterven zou. En dat zij dit nodig had. De discipelen dachten: als Jezus sterft is alles verloren. Maria voelde aan: als Jezus niet zou sterven is alles verloren. Dat geloofde ze en daar­van getuigde ze in die ene daad.

‘Leer mij, o Heer’, Uw lijden recht betrachten’ zingen we (toch?). Maar hoe kom je zo ver? Aan Zijn voeten. Zijn lijden betrachten leer je niet in de drukte van de wereld of in je kerkelijke ijver. Maar alleen daar, waar je echt wilt horen wat de Heere te zeggen heeft en echt leert wat je nodig hebt.

Vaak ligt daar ons grootste probleem: we voelen ons grootste probleem niet. We durven niet werkelijk stil te staan bij de leegte in onze ziel en bij de grootte van onze schuld. En misschien nog wel minder: bij de werkelijkheid van de dood. Wij moeten sterven. Zo’n aangrijpende gedachte. Alles loslaten, de onbekende dood in, en dan voor God verschijnen. Voorbereiden op je sterfdag en op je begrafenis – dat doe je niet graag. Liever hebben we het over leuke dingen of over de ellende van een ander. En toch… zoek eens de rust en laat het echt op u inwerken: ik moet sterven, en dan…?

Dan is er maar één antwoord. Om dat antwoord te kennen moeten we Jezus kennen. Aan Zijn voeten knielen, Zijn Woord horen en aanvaarden. Zie onder ogen dat de Heere Jezus echt sterven moest omdat u echt sterven moet. Dat Hij de dood droeg omdat u de dood verdient. Een pijnlijke boodschap, maar negeer die niet.

Want het is ook zo’n bevrijdende boodschap! Hier zie je Zijn liefde. Dan hoef je niet de gedachte aan het sterven ver weg te stoppen. Juist niet. Het bittere lijden van Jezus is zo zoet. Zijn graf geeft een reuke des levens, ten leven.

M. van Reenen V.D.m.

“En het geschiedde als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek” (Luk. 10:38)

We hebben inmiddels kennis gemaakt met de hele familie: Simon, Martha, Maria en Lazarus. Daarmee hebben we eigenlijk ook al kennis gemaakt met de Heere Jezus. Immers, in het leven van al deze mensen had Hij een grote plaats – doordat zij een grote plaats hadden gekregen in Zijn hart. Zij hadden ervaren dat Hij werkelijk een Heiland is!

Maar laten we nu nog eens wat meer op Jezus letten. Hij heeft van Zijn ouders de gewoonte meegekregen (Lukas 2:41) om in elk geval jaarlijks de lange reis naar de tempel te maken. Die gewoonte heeft Hij Zich ook eigen gemaakt. En zo reist Hij regelmatig naar Jeruzalem; soms alleen met Zijn discipelen, soms met een grote groep volgers.

Maar als Hij dan in Jeruzalem was, waar moest Hij dan slapen, waar was plaats voor Hem en voor al die honderdduizenden andere pelgrims? In Jeruzalem kon Hij niet overnachten. Soms sliep Hij in de Hof van Gethsemané. Dan leek het er op dat er voor Hem opnieuw geen plaats was in de herberg. Maar toch! We weten niet wanneer het de eerste keer was, maar op zeker moment heeft Hij Martha en haar familie leren kennen, en zij kon het niet aanzien dat haar Meester buiten zou moeten slapen. Haar huis was groot genoeg voor Jezus en Zijn twaalf discipelen. En daar maakt de Heere Jezus nu dankbaar gebruik van.

Dat klinkt heel eenvoudig en logisch, maar wat een wonderlijke zaak is het toch. Hij is de Heere van hemel en aarde, maar Hij moet zeggen dat Hij nog geen kussen heeft om Zijn hoofd op neer te leggen (Luk. 9:58). Jawel, Hij ontvangt wel een kussen, maar dat is van een ander, Hij moet leven van wat Hem gegeven wordt. En… Hij is bereid om te ontvangen!

Dat is vaak moeilijker dan het lijkt. Ik hoor het vaak bij gemeenteleden: ‘Nee, om hulp vragen zal ik niet gauw doen, ik wil niet graag afhankelijk zijn.’ Maar de Heere Jezus werd zo nederig, dat Hij Zich niet te groot voelde om geheel afhankelijk te zijn. Iedereen zou Hem moeten danken, maar hier is Hij de dankbare. Op het laatst van het leven komt het zo ver, dat Hij zelfs een soldaat dankbaar zou moeten zijn voor het geven van een slok edik en gal (Ps. 69:22). Een zwerver heeft zo zijn eergevoel en raakt er niet snel aan gewend om te moeten bedelen; voor een rijke is het helemaal een schande (Luk. 16:3). Hoeveel te meer voor de Koning der koningen! Toch doet Hij het: Hij wilde arm worden opdat Hij ons door Zijn armoede zou rijk maken (2 Kor. 8:9).

En hoe komt Hij zo ver? Heeft de liefde van Martha en haar huisgenoten Hem overgehaald? Vast wel, aan de ene kant. Immers, we lezen: ‘Martha ontving Hem in haar huis’. Bij hen was Hij welkom. En toch… daar begint het niet. Want er staat toch eerst ‘dat Hij kwam in een vlek’. En dat is niet toevallig. De Heere Jezus wist wat Hij doet en waar Hij heen ging. Als Hij in Galilea rondging of door Samaria moest, als Hij naar Jeruzalem ging of naar Bethanië. Hij ging daarheen omdat Hij daar werk te doen had.

En zo gaat Hij nu naar Bethanië. Een onaanzienlijke plaats, die hier niet eens bij name genoemd wordt. ‘Een vlek’ heet het, een dorpje, een buurtschap. Veel stelt het niet voor, maar dat is voor de Heere Jezus geen reden om het links te laten liggen! Hier wonen mensen bij wie Hij moet zijn, zoals later bij Zacheüs (Luk. 19:5): ‘Ik moet heden in uw huis blijven’. Hier is een groot huis met (om zo te zeggen) kleine mensen. Mensen die alles al verloren hebben, door ziekte en handicaps. Het ‘onedele der wereld heeft God uitverkoren’ schrijft Paulus later. Dat zegt trouwens niets over de kwaliteiten van dat onedele maar over de genade van Hem Die verkiest. Hij had Martha en haar man en broer en zus al lang gezien voordat Hij in Bethanië kwam, en Hij wist dat Hij daar moest zijn.

We kunnen trouwens de lijn heel ver doortrekken:

Ja, nog eer ik was geboren,

eer m’ Uw Geest tot aanzijn riep,

eer Gij aard’ en hemel schiep,

heeft Uw liefde mij verkoren.

Zijn liefde is eerder en onvoorwaardelijk. Onverdiend en daardoor vaak ook onverwacht. Hij kwam in een vlek, en Hij komt in een dorp, in een kerk, in een huis. En Zijn zoekende ogen zien het verlorene, dat geneigd is te zeggen: ‘Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen’ (Luk. 7:6). Maar dat houdt Hem niet tegen! Hij komt juist tot onwaardigen, want Hij is waardig en Hij maakt waardig.

Bij wie geraakt wordt door die liefde kan het niet missen, daar gaat het hart open en het huis (vergelijk Hand. 16:15). Daar mag Hij komen, ja daar kun je het niet meer hebben als Hij niet zou komen: ‘Kom in mijn hart, kom in mijn hart, Heer’ Jezus.’ Daar blijft ook geen kamer van het huis over waar Hij niet mag zijn. ‘Aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen.’ Herkenbaar?

M. van Reenen V.D.m.

“En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanië” (Joh. 11:1)

Behalve Martha en Maria woonde ook Lazarus daar in Bethanië. Hij speelde een belangrijke rol in het werk van de Heere Jezus. Immers, hij werd opgewekt uit de dood (Joh. 11) als voorbeeld van de opstanding van Christus Zelf. Zijn opstanding was ook een belangrijke reden om Jezus te doden (Joh. 12). Toch weten we bijna niets van hem. Hij bleef nog meer op de achtergrond dan Maria. Van Maria horen we nog een paar woorden, van Lazarus staat zelfs niet één woord beschreven. Over Maria lezen we in meerdere Evangeliën, over Lazarus alleen bij Johannes. Dat Maria in het huis van haar zus woonde is vreemd, dat Lazarus daar woonde is nog vreemder.

Immers, normaal gesproken zou een man het hoofd van het huis zijn en niet een vrouw. Het is eigenlijk heel vreemd, om als man te wonen in het huis van een vrouw. We weten inmiddels waarom het huis ‘Martha’s huis’ genoemd wordt: haar man Simon is lange tijd afwezig geweest vanwege melaatsheid. Maar waarom nam de andere man in dat huis dan niet de leiding, waarom bleef Lazarus onder de hoede van zijn zus?

Een ander Bijbelgedeelte lijkt hier wat licht op te werpen. Er komt in de Bijbel nog één andere Lazarus voor, namelijk in Lukas 16. In deze gelijkenis gaat het over een rijke man zonder naam en een arme man met naam. Het is de enige gelijkenis waarin de Heere Jezus iemand een naam geeft. Lazarus, op zich een gewone naam, één van de meest voorkomende namen in Israël in die tijd. Wat dat betreft hoeft het niet zo veel te zeggen. Maar… de Heere Jezus zal niet zomaar de naam gebruikt hebben juist van Zijn vriend. De man in Zijn gelijkenis vertoonde overeenkomst met Zijn vriend.

De arme Lazarus uit de gelijkenis was hulpbehoevend; hij kon zichzelf niet helpen, hij was afhankelijk van de giften die hij kreeg (of niet)… Zo zal het ook met Lazarus van Bethanië geweest zijn. Zelf kon hij niets: niet trouwen, geen huis besturen, geen werk verrichten, misschien zelfs niet praten. De eerste keer dat we van hem horen is hij doodziek. Nee, zo is het niet altijd geweest, maar een krachtig man was hij dus evenmin. Eén voordeel had hij boven de man uit de gelijkenis. Die arme man werd door niemand geholpen. Lazarus wel, ja zelfs heel ijverig door zijn zus. Die arme Lazarus kon nog amper kruimels krijgen en zijn zweren werden niet verzorgd. Lazarus kon eten krijgen zo veel hij wilde en Martha bekommerde zich er altijd om of het wel goed met hem ging (Joh. 11:3).

De gebrekkige Lazarus in het echt had het dus een stuk beter dan die in de gelijkenis. Maar het belangrijkste gold voor allebei. Iets waar de naam al van spreekt. Lazarus is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam ‘Eleazar’, wat betekent: ‘God heeft geholpen’. En die naam was waar! In de gelijkenis wordt hij bij zijn sterven door de engelen gedragen in Abrahams schoot. Terwijl niemand naar hem omzag is God hem nabij geweest en hebben de engelen voortdurend over hem gewaakt. En zo is het nu ook met de echte Lazarus. Ook zijn naam is waar. God heeft hem geholpen. Jezus hielp hem.

Nee, niet pas bij zijn opstanding, maar al veel eerder. Ook al zwijgt de Bijbel over een eerdere ontmoeting tussen Jezus en Lazarus, we weten het toch! Er staat namelijk: ‘Heere, zie, dien Gij liefhebt is krank’ (Joh. 11:3). Dus Jezus had Lazarus lief. Hij had hem bijzonder lief. Want als Martha hem noemt ‘dien Gij liefhebt’, dan hoeft niemand te raden wie zij bedoelt. Niet Martha zelf, niet Maria maar Lazarus. Jawel, Jezus had hen alle drie lief (vers 5). Maar Lazarus wel in het bijzonder. Lazarus, de hulp-behoevende, juist hem. Dat zegt niet zozeer iets over Lazarus maar veel over de Heere. Hij is een God Die Zich ontfermt over het verachte.

‘Het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken’. Daarvoor zal Hij Zijn Messias zenden: ‘ Ik zal een enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden’ (Ezech. 34:23). De Goede Herder had bijzonder oog voor het zwakke, gebrokene, verachte.

Zo is onze God, zo is onze Heiland Jezus Christus. Een Ontfermer, ‘krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden’ (Ps. 46:2). Lees Psalm 146 eens, hoe vol die staat van Gods mededogen voor het hulpbehoevende en hulpeloze. Of Psalm 72: ‘Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige, en die geen helper heeft’ (vers 12).

Dat zien we ook in de Kerstgeschiedenis. Was het niet daarom dat Hij geboren werd uit een laaggeplaatste vrouw, Maria (Luk. 1:48)? Was het niet daarom, dat Zijn eerste kraambezoek bestond uit herders? Was het niet daarom, dat Hij juist de straten der stad Zijn dienaren zond, en hen opdroeg: ‘breng de armen en kreupelen en blinden hier in’ (Luk. 14:21)?

En nog dieper ging het. Daarom werd Hij Zelf een Kind, een hulpeloos Kind, ‘in doeken gewonden en liggende in de kribbe’. Niet als krachtig man maar als zwakke Baby kwam Hij ter wereld. Met eerbied bedoeld: zo weet Hij hoe dringend wij hulp nodig kunnen hebben. ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde’ (Hebr. 4:15).

Weet dat God een Helper is. Geen nood is te groot om te kunnen of te klein om te willen helpen!

Al kunt u uitwendig uzelf helpen, zoek voor uw ziel de ware hulpeloosheid, om ‘door de nood gedreven’ u tot Hem te wenden (Ps. 146).

Weerspiegel Gods hulpvaardigheid voor iedere naaste die op uw weg komt, zoals de barmhartige Samaritaan dat deed. ‘Door de ontfermingen Gods’ (Rom. 12:1).

M. van Reenen V.D.m